Cilinderkop inbouwen (L12A/L13A)

Cilinderkop inbouwen

Monteer de cilinderkop in omgekeerde volgorde van het uitbouwen:

1.Reinig de oppervlakken van de cilinderkop en het cilinderblok.

2.Plaats de nieuwe cilinderkoppakking (A) en paspennen (B) op het cilinderblok. Gebruik altijd een nieuwe cilinderkoppakking.

 

3.Controleer of de krukasspiebaan naar boven is gericht.

4.Plaats de cilinderkop op het blok.

5.Breng motorolie aan op schroefdraad en onder de boutkoppen van alle cilinderkopbouten.

6.Draai de cilinderkopbouten in de aangegeven volgorde vast met
29 N·m (3,0 kgf·mt); gebruik een momentsleutel. Als u een momentsleutel met voorinstelling gebruikt, moet u langzaam en niet te strak aandraaien. Als een bout geluid maakt terwijl u deze aandraait, moet u deze losdraaien en opnieuw aandraaien vanaf de eerste stap.

 

7.Draai alle cilinderkopbouten 130° extra vast.

8.Monteer de bevestigingsbout van de nokkenaskettinggeleider.

 

9.Monteer de nokkenasketting op het tandwiel van de nokkenas door het referentiemerkteken (A) op één lijn te brengen, en monteer vervolgens het tandwiel op de nokkenas.

 

10.Houd de nokkenas vast met een steeksleutel en draai vervolgens de bout vast.

Voorgeschreven koppel: 
56 N·m (5,7 kgf·m) 

 

11.De krukaspoelie losjes monteren.

12.Breng motorolie aan op de glijvlakken van het geleideblok van de nokkenaskettingspanner via het olieterugstroomopening in de cilinderkop.

 

13.Hou de krukaspoelie vast en zet de dopsleutel (A) op de bout van het tandwiel van de krukas.

 

14.Draai de nokkenas rechtsom om de nokkenaskettingspanner in te drukken en verwijder vervolgens de 6 x 1,0 mm bout (B)

OPMERKING:

  • Het draaimoment mag niet groter zijn dan 44 N·m (4,5 kgf·m) bij het draaien van de nokkenas.
  • Draai de nokkenas niet linksom.

15.Controleer de oliekeerring van de kettingkast op beschadiging. Is deze beschadigd, dan moet hij worden vervangen.

16.Verwijder oude vloeibare pakking van de contactvlakken van de kettingkast, bouten en boutgaten.

17.De contactvlakken van de kettingkast reinigen en drogen.

18.Breng vloeibare pakking, P/N 08C70-K0234M, 08C70- K0334M of 08C70-X0331S, aan op de contactvlakken van de kettingkast met het cilinderblok, en op de binnenschroefdraad van de gaten.

OPMERKING:

  • Breng een rups vloeibare pakking aan van 1,5 mm breed langs de stippellijn (A).
  • Breng een rups vloeibare pakking aan van 3,0 mm breed op de bovenste contactvlakken (B) van het cilinderblok met de kettingkast.

 

19.Breng vloeibare pakking, onderdeelnummer 08C70-K0334M of 08C70- X0331S, aan op de pasvlakken van het distibutiedeksel en de draadgaten.

OPMERKING:

  • Breng een rups vloeibare pakking aan van 1,5 mm breed langs de stippellijn (A).
  • Breng een rups vloeibare pakking aan van 5,0 mm breed op het gearceerde gebied (B).
  • Monteer de onderdelen niet als er vijf of meer minuten voorbij zijn gegaan sinds het aanbrengen van de vloeibare pakking. Verwijder in dat geval de oude pakking en breng opnieuw vloeibare pakking aan.

 

20.Breng de rand van de kettingkast (A) op gelijke hoogte met de rand van de oliepan (B), en monteer vervolgens de kettingkast op het cilinderblok (C).

OPMERKING: Bij het monteren van de kettingkast niet de onderkant op het bevestigingsvlak van de oliepan schuiven.

 

 

21.Monteer de kabelboomklemmen (A) en sluit de stekker van de krukasstandsensor (CKP-sensor) aan.

22.Monteer de zijmotorsteun en monteer vervolgens de massakabel.

23.Monteer de krukaspoelie.

24.Monteer het kleppendeksel.

25.Monteer de waterpomppoelie.

26.Monteer het tussenwiel (bij airco-compressor).

27.Monteer de bevestigingsbouten van de dynamosteun.

28.Monteer de aandrijfsnaar en stel deze af.

29.Monteer de verbindingsleiding (A) met een nieuwe O-ring (B).

 

30.Monteer de wateromloopslang (C) en de positieve carterventilatieslang (PCV-slang) (D).

31.Monteer de kabelboomhouder (A) en monteer vervolgens de bevestigingsbout (B) van de kabelboomhouder, de massakabel (C) en de steun van het luchtfilterhuis (D).

 

32.Monteer de brandstofgalerij.

33.Monteer het uitlaatspruitstuk.

34.Monteer het inlaatspruitstuk.

35.Monteer de slangen van de verwarming.

 

36.Monteer de bovenste radiateurslang (A) en de onderste radiateurslang (B).

 

37.Monteer de wateromloopslangen.

 

38.Monteer het luchtfilterhuis.

39.Stel de klepspeling af.

40.Controleer na montage of alle buizen, slangen en stekkers juist zijn aangesloten.

41.Controleer op brandstoflekkage. Zet de contactschakelaar AAN (II) (bedien hierbij de startmotor niet) zodat de brandstofpomp ongeveer 2 seconden loopt en het brandstofsysteem op druk brengt. Herhaal deze procedure twee of drie maal en controleer vervolgens het gehele systeem op lekkage.

42.Vul de radiateur opnieuw met motorkoelvloeistof en ontlucht het koelsysteem met de verwarmingsklep open.

43.Inspecteer het stationaire toerental.

44.Inspecteer het ontstekingstijdstip.