Beschrijving brandstof- en emissiesystemen - Behalve L12A4 en L13A6 (Met VSA)

Beschrijving brandstof- en emissiesystemen - Behalve L12A4 en L13A6

Elektronisch regelsysteem


De functies van de brandstof- en emissieregelsystemen worden beheerd door de motorregelmodule (ECM).

Fail-safe-functie

Als er een storing optreedt in een signaal van een sensor, negeert de ECM dat signaal en gaat uit van een voorgeprogrammeerde waarde voor die sensor waardoor de motor gewoon kan blijven draaien.

Zelfdiagnose

Als zich in een sensorsignaal een afwijking voordoet, levert de ECM massa voor het defectsignaleringslampje en wordt de storingcode (DTC) opgeslagen in een wisbaar geheugen. Als de contactschakelaar AAN (II) wordt gezet, schakelt de ECM de MIL gedurende twee seconden aan massa om de conditie van het MIL-lampje te controleren.

Foutopsporing met dubbele controle

Om foute indicaties te voorkomen wordt de 'foutopsporing met dubbele controle' gebruikt voor enkele zelfdiagnosefuncties. Als zich iets abnormaals voordoet, slaat de ECM dit op in het geheugen. Als dezelfde afwijking zich weer voordoet nadat de contactschakelaar weer UIT en AAN (II) is gezet geeft de ECM dit door aan de bestuurder door het MIL aan te zetten.

Zelfuitschakelmodus (SSD)

Nadat de contactschakelaar is uitgeschakeld, blijft de ECM ingeschakeld (tot 10 seconden)
Indien de ECM stekker tijdens deze modus wordt losgekoppeld, kan de ECM worden beschadigd
Indien u de ECM-stekker moet loskoppelen, koppel dan eerst de negatieve kabel van de accu los, of wacht 10 seconden na het uitschakelen van het contact

ECM ingangs- en uitgangssignalen aan stekker nr. 1 (9-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

ECM-aansluitingnummer Penkast-aansluitingnummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
BRN PG1 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) Massa voor ECM-circuit Altijd minder dan 1,0 V 
BRN PG2 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) Massa voor ECM-circuit Altijd minder dan 1,0 V 
WHT/RED UBD (STROOMBRON) Stroombron voor ECM-circuit Altijd accuspanning 
BRN/YEL LG3 (LOGISCHE MASSA) Massa voor ECM-circuit Altijd minder dan 1,0 V 

ECM ingangs- en uitgangssignalen aan stekker nr. 3 (52-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

ECM-aansluitingnummer Penkast-aansluitingnummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
30 BRN/YEL CKPG (MASSA VAN SENSOR KRUKASSTAND (CKP)) Massa voor CKP-sensor Altijd minder dan 1,0 V 
32 BLU/RED VCC4 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met contactschakelaar op UIT: 0 V 
33 YEL/GRN VCC3 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met contactschakelaar op UIT: 0 V 
34 WHT/GRN ALTC (REGELING DYNAMO) Stuurt regelsignaal naar dynamo Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur:
accuspanning (afhankelijk van elektrische belasting) 
35 GRN CMP (NOKKENASSTAND (CMP) SENSOR Spoort signaal van CMP-sensor op. Met draaiende motor: pulsen 
36 WHT/BLK IGPLS3E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 3) Stuurt achterste bobine nr. 3 Met contactschakelaar op AAN (II): 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
37 WHT/GRN IGPLS2E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 2) Stuurt achterste bobine nr. 2 
38 WHT IGPLS1I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 1) Regelt voorste bobine nr. 1 
10 39 BRN INJ1 (INJECTOR Nr. 1) Stuurt injector nr. 1 aan Bij stationair draaien: regeling volgens belastingsverhouding 
11 40 BLU INJ3 (INJECTOR Nr. 3) Stuurt injector nr. 3 aan 
12 41 YEL INJ4 (BRANDSTOFINJECTOR Nr. 4) Stuurt injector nr. 4 aan 
13 42 RED INJ2 (INJECTOR Nr. 2) Stuurt injector nr. 2 aan 
14 43 BLU CKP (SENSOR KRUKASSTAND (CKP)) Detecteert signaal van CKP-sensor Met draaiende motor: pulsen 
16 45 YEL/BLU VCC2 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met contactschakelaar op UIT: 0 V 
17 46 YEL/RED VCC1 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met contactschakelaar op UIT: 0 V 
19 48 WHT/RED ALTF (FR-SIGNAAL DYNAMO) Detecteert FR-signaal dynamo Met draaiende motor: 0-5 V (afhankelijk van de elektrische belasting) 

ECM ingangs- en uitgangssignalen aan stekker nr. 3 (52-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

ECM-aansluitingnummer Penkast-aansluitingnummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
20 49 WHT IGPLS1E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 1) Stuurt achterste bobine nr. 1 Met contactschakelaar op AAN (II): 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
21 50 WHT/BLU IGPLS4E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 4) Stuurt achterste bobine nr. 4 
22 51 WHT/BLK IGPLS3I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 3) Regelt voorste bobine nr. 3 
23 52 WHT/GRN IGPLS2I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 2) Regelt voorste bobine nr. 2 
24 53 WHT/BLU IGPLS4I (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 4) Regelt voorste bobine nr. 4 
25 54 GRN FANC (KOELVENTILATORREGELING) Stuurt relais van koelventilator Met koelventilator aan: ongeveer 0 V
Met koelventilator uit: accuspanning 
26 55 YEL/BLU PCS (BRANDSTOFTANK ONTLUCHTINGSKLEP VOOR BENZINEDAMPEMISSIE (EVAP)) Stuurt EVAP-brandstoftank afzuigregelklep aan Met draaiende motor, koelvloeistof onder 40 °C: accuspanning
Bij draaiende motor, motorkoelvloeistof hoger dan 40 °C: regeling volgens belastingsverhouding 
29 58 GRN/BLK SG3 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
30 59 GRN/BLK SG4 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
31 60 GRN/WHT SG1 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
32 61 GRN/YEL PHO2SG (PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE HO2S, SENSOR 1 MASSA) Massa van primaire HO2S (sensor 1) Altijd minder dan 1,0 V 
33 62 GRN/BLK SG2 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
34 63 GRN APSA (GASPEDAALSTAND (APP) SENSOR A) Spoort signaal van APP-sensor A op Met contactschakelaar (AAN) (II) en gaspedaal ingedrukt: 4,1 V
Met contactschakelaar (AAN) (II) en gaspedaal losgelaten: 0,6 V 
35 64 GRN/RED SENSOR VOOR ABSOLUTE LUCHTDRUK IN INLAATSPRUITSTUK (MAP) Detecteert MAP-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 3 V
Bij stationair draaien: ongeveer 1,0 V (afhankelijk van het motortoerental) 
36 65 BLU TPSA (GASKLEPSTAND (TP) SENSOR A) Spoort signaal van TPS-sensor A op Met contactschakelaar op AAN (II) en volledig open gasklep: 4,7 V
Met contactschakelaar op AAN (II) en volledig gesloten gasklep: 0,1 V 

ECM ingangs- en uitgangssignalen aan stekker nr. 3 (52-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

ECM-aansluitingnummer Penkast-aansluitingnummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
39 68 WHT/BLK EGRP (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEPSTANDSENSOR) Detecteert EGR-klepstandsensorsignaal Met draaiende motor: 1,2-2,0 V (afhankelijk van EGR-kleplichthoogte) 
40 69 YEL KS1 (PINGELSENSOR) Spoort signaal van pingelsensor op. Met pingelende motor: pulsen 
41 70 GRY/RED KS2 (PINGELSENSOR) Massa voor pingelsensor Altijd minder dan 1,0 V 
42 71 BLK VSSG (MASSA VAN VOERTUIGSNELHEIDSENSOR (VSS)) Massa voor VSS Altijd minder dan 1,0 V 
44 73 WHT/GRN VSS (VEHICLE SPEED SENSOR (VSS)) (voertuigsnelheidssensor) Detecteert VSS-signaal Met contactschakelaar op AAN (II) en ronddraaiende voorwielen: cycli van 0 V-ongeveer 5 V of accuspanning 
46 75 BRN/YEL CMPG (MASSA VAN NOKKENASSTAND (CMP) SENSOR) Massa voor CMP-sensor. Altijd minder dan 1,0 V 
47 76 WHT PHO2S (PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE HO2S) SENSOR 1) Detecteert signaal van primaire HO2S sensor (sensor 1). Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: ongeveer 0,6 V
Na snel sluiten van gasklep: minder dan 0,4 V 
48 77 GRN/BLK SG5 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
49 78 YEL TPSB (GASKLEPSTAND (TP) SENSOR B) Spoort signaal van TPS-sensor B op Met contactschakelaar op AAN (II) en volledig open gasklep: 4,9 V
Met contactschakelaar op AAN (II) en volledig gesloten gasklep: 0,1 V 
50 79 RED APSB (GASPEDAALSTAND (APP) SENSOR B) Spoort signaal van APP-sensor B op Met contactschakelaar (AAN) (II) en gaspedaal ingedrukt: 2,3 V
Met contactschakelaar (AAN) (II) en gaspedaal losgelaten: 0,2 V 
51 80 RED/YEL IAT (INLAATLUCHTTEMPERATUUR (IAT) SENSOR) Detecteert IAT-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van inlaatluchttemperatuur) 
52 81 RED/WHT ECT (SENSOR MOTORKOELVLOEISTOFTEMPERATUUR (ECT)) Detecteert ECT-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van motorkoelvloeistoftemperatuur) 

ECM ingangs- en uitgangssignalen aan stekker nr. 4 (40-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

ECM-aansluitingnummer Penkast-aansluitingnummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
82 GRN/WHT FUP (BRANDSTOFINJECTIESIGNAAL) Zend brandstofinjectiesignaal naar instrumenteneenheid Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen 
83 GRN MTRTW Verstuurt signaal motorkoelvloeistoftemperatuur Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen 
86 RED/WHT K-LIJN Verstuurt en ontvangt HDS-signaal Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen of accuspanning 
87 RED/BLU IMOCD (STARTBLOKKERINGSCODE) Detecteert startblokkeringssignaal  
90 GRN/YEL IMOFPR (BRANDSTOFPOMPRELAIS STARTBLOKKERING) Stuurt PGM-FI-hoofdrelais 2. 0 V gedurende twee seconden nadat contactschakelaar AAN (II) is gezet, daarna accuspanning. 
10 91 GRN/ORN MIL (DEFECTSIGNALERINGSLAMPJE) Stuurt MIL Met MIL AAN: ongeveer 0 V
Met MIL UIT: accuspanning 
11 92 RED/YEL MRLY (PGM-FI-HOOFDRELAIS) Stuurt PGM-FI hoofdrelais 1 Voedingspanning voor het DTC-geheugen aan Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met contactschakelaar op UIT: accuspanning 
17 98 BRN/YEL LG1 (LOGISCHE MASSA) Massa voor ECM-circuit Altijd minder dan 1,0 V 
18 99 BLU NEP (MOTORTOERENTALPULS) Geeft motortoerentalpuls Met draaiende motor: pulsen 
19 100 RED ACC (RELAIS AIRCOKOPPELING) Stuurt relais van aircokoppeling aan Met compressor AAN: ongeveer 0 V
Met compressor UIT: accuspanning 
21 102 PNK SHO2SG (MASSA VOOR SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S), SENSOR 2) Massa voor secundaire HO2S (sensor 2). Altijd minder dan 1,0 V 
22 103 WHT/BLU BKPD (REMPEDAALSTANDSCHAKELAAR) Detecteert signaal van rempedaalstandschakelaar Met contactschakelaar op AAN (II) en rempedaal losgelaten: accuspanning
Met contactschakelaar op AAN (II) en rempedaal ingedrukt: ongeveer 0 V 
23 104 WHT/RED SHO2S (SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S, SENSOR 2) Detecteert signaal van secundaire HO2S sensor (sensor 2). Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: ongeveer 0,6 V
Na snel sluiten van gasklep: minder dan 0,4 V 

ECM ingangs- en uitgangssignalen aan stekker nr. 4 (40-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

ECM-aansluitingnummer Penkast-aansluitingnummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
27 108 YEL/BLK IG1 (CONTACTSIGNAAL) Detecteert contactsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar op UIT: 0 V accuspanning 
30 111 RED CANL (CAN-COMMUNICATIESIGNAAL LAAG) Stuurt communicatiesignaal Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen 
31 112 BLU/WHT ACS (AIRCOSCHAKELAARSIGNAAL) Detecteert aircoschakelaarsignaal Met aircoschakelaar AAN: 0 V
Met aircoschakelaar UIT: ongeveer 5 V 
32 113 BRN SCS (DIAGNOSESIGNAAL) Detecteert het diagnosesignaal Met het servicecontrolesignaal kortgesloten met de HDS: ongeveer 0 V
Bij draadbreuk in het diagnosesignaal: ongeveer 5 V accuspanning 
34 115 GRN/RED ELD (ELEKTRISCHE BELASTINGDETECTOR) Detecteert ELD-signaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van elektrische belasting) 
36 117 WHT/BLK BKSW (REMPEDAALSTANDSCHAKELAAR) Detecteert signaal van rempedaalstandschakelaar Met rempedaal los: ongeveer 0 V
Met rempedaal ingedrukt: accuspanning 
39 120 BRN/YEL LG2 (LOGISCHE MASSA) Massa voor ECM-circuit Altijd minder dan 1,0 V 
40 121 WHT CANH (CAN-COMMUNICATIESIGNAAL HOOG) Stuurt communicatiesignaal Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen 

ECM ingangs- en uitgangssignalen aan stekker nr. 5 (9-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

ECM-aansluitingnummer Penkast-aansluitingnummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
122 RED ETC1 (ELEKTRISCH GASKLEPREGELSYSTEEM 1) Stuurt gasklepstelmotor aan Met gasklep in beweging: regeling volgens belastingsverhouding
Met gasklep niet in beweging: niet gespecificeerd 
123 GRN ETC2 (ELEKTRISCH GASKLEPREGELSYSTEEM 2) Stuurt gasklepstelmotor aan Met gasklep in beweging: regeling volgens belastingsverhouding
Met gasklep niet in beweging: niet gespecificeerd 
124 BLU/RED EGR (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEP) Regelt EGR-klep Bij werkende EGR: regeling volgens belastingsverhouding
Als de EGR niet werkt: ongeveer 0 V 
125 BLK/WHT SO2SHTC (SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S) VERWARMINGSREGELING) Stuurt secundaire HO2S verwarming aan Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding 
126 GRN/BLK EGRG (MASSA VOOR UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEP) Massa voor EGR-klep Altijd minder dan 1,0 V 
128 YEL/BLK IPG1 (STROOMBRON) Stroombron voor ECM-circuit Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar UIT: ongeveer 0 V 
129 YEL/BLK IPG2 (STROOMBRON) Stroombron voor ECM-circuit Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar UIT: ongeveer 0 V 
130 BLK/WHT PO2SHTC (PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE ZUURSTOFSENSOR) VERWARMINGSREGELING) Regelt primaire HO2S verwarming Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding 

Loop van de vacuümslang








 

Onderdrukverdeling





 

PGM-FI-systeem


Het PGM-FI-systeem (Programmed Fuel Injection) is een sequentieel multipoint brandstofinjectiesysteem.

Relais van aircocompressorkoppeling

Als de motorregelmodule (ECM) een verzoek om koeling ontvangt van het aircosysteem, wordt de bekrachtiging van de aircocompressor iets uitgesteld; eerst wordt het lucht/brandstofmengsel verrijkt om zo een soepele overgang naar aircomodus te garanderen.

Dynamoregeling

De dynamo stuurt tijdens het laden een signaal naar de ECM.

Barometerdruk (BARO) sensor

De BARO-sensor bevindt zich in de ECM. De sensor zet de atmosferische druk om in een spanningssignaal dat gebruikt wordt bij de aanpassing van de basisduur van de brandstofinjectie.

Nokkenasstandsensor (CMP)

De CMP-sensor detecteert de stand van cilinder nr. 1 als referentiewaarde voor de volgorde van de brandstofinspuiting voor elke cilinder.

 

Krukasstand (CKP) sensor

De CKP-sensor bepaalt het motortoerental en stelt het ontstekingstijdstip en het tijdstip van de brandstofinjectie in elke cilinder vast.

 

Motorkoelvloeistoftemperatuur (ECT) sensor

De ECT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de motorkoelvloeistof toeneemt.

 

i-DSI-systeem

De ECM regelt de afstand in ontstekingsfase tussen de voorste en de achterste bougies in overeenstemming met het motortoerental en de onderdruk in het inlaatspruitstuk.

 

Regeling ontstekingstijdstip

In het geheugen van de ECM zijn gegevens opgeslagen voor het basisontstekingstijdstip bij verschillende motortoerentallen en absolute luchtdruk inlaatspruitstuk. Ook wordt de ontstekingsverstelling aangepast op basis van de temperatuur van de motorkoelvloeistof.

Tijdstip en duur van injectie

In het ECM-geheugen zijn gegevens opgeslagen over de basisduur van de brandstofinjectie bij verschillende motortoerentallen en luchtdrukwaarden in het inlaatspruitstuk. De uiteindelijke duur van de brandstofinjectie wordt verkregen door de basisduur uit het geheugen te combineren met de signalen van een aantal sensoren.
Door registratie van de langetermijnbrandstofafstelling spoort de ECM langetermijnstoringen in de werking van het brandstofsysteem op. Er wordt dan een storingscode (DTC) geactiveerd.

Inlaatluchttemperatuursensor/Sensor absolute druk in inlaatspruitstuk (IAT/MAP-sensor)

De IAT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de inlaatlucht toeneemt.

De MAP-sensor zet de absolute luchtdruk in het inlaatspruitstuk om in een elektrisch signaal naar de ECM.

 

Pingelsensor

De pingelregeling stelt de ontstekingstijd zodanig bij dat pingelen tot een minimum wordt beperkt.

 

Primaire verwarmde zuurstofsensor (primaire HO2S)

De primaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen en zendt vervolgens signalen naar de ECM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De primaire zuurstofsensor (HO2S) is ingebouwd in het uitlaatspruitstuk. Doordat de lucht/brandstofverhouding via primaire HO2S en secundaire HO2S wordt afgeregeld, kan de achteruitgang van de primaire HO2S worden gecontroleerd volgens de terugkoppelingsperiode. Wanneer de terugkoppelingsperiode tijdens stabiele rijcondities een bepaalde waarde overstijgt, wordt de sensor beschouwd als zijnde verslechterd en activeert de ECM een storingscode.

 

Secundaire verwarmde zuurstofsensor (secundaire HO2S)

De secundaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen achter de driewegkatalysator (TWC) en zendt vervolgens signalen naar de ECM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De secundaire HO2S is gemonteerd in de driewegkatalysator.

 

Startregeling

Als de motor wordt gestart, voorziet de ECM de motor van een rijk mengsel door de duur van de brandstofinjectie te verhogen.

Voertuig snelheidssensor (VSS)

De VSS wordt gestuurd door het differentieel. Hij geeft een pulssignaal af op basis van een voedingsspanning van 5 volt. Het aantal pulsen per minuut neemt toe of af volgens de rijsnelheid van de auto.

Elektronisch gasklepregelsysteem


De gasklep wordt elektronisch geregeld door het elektronisch gasklepregelsysteem. Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

Stationair-toerentalregeling: Wanneer de motor stationair loopt, regelt de ECM de gasklepstelmotor zodanig dat het juiste stationair toerental wordt gehandhaafd ongeacht de motorbelasting.

Acceleratieregeling: Wanneer het gaspedaal wordt ingedrukt, opent de ECM de gasklep op basis van het signaal van de gasklepstand (APP) sensor.

Gaspedaalstand (APP) sensor

Naarmate de gaspedaalstand verandert, verandert de sensor de signaalspanning naar de ECM.

 

Gasklephuis

Het gasklephuis is van het enkelvoudige vlakstroomtype. Het onderste deel van de gasklep wordt verwarmd door de motorkoelvloeistof in de cilinderkop om ijsafzetting op de gasklep te voorkomen.

 

Stationair regelsysteem


Als de motor koud is, de aircocompressor aan is, de versnellingsbak in een versnelling staat, het rempedaal is ingetrapt, of de dynamo bezig is met opladen, regelt de ECM de stroom naar de gasklepstelmotor om het juiste stationair toerental te handhaven.

Rempedaalstandschakelaar

De rempedaalstandschakelaar zendt een signaal naar de ECM als het rempedaal wordt ingetrapt.

Brandstoftoevoersysteem


Regeling afsluiting brandstof

Tijdens decelereren met gesloten gasklep, wordt de elektrische stroom naar de verstuivers afgesloten om het brandstofverbruik te verbeteren bij toerentallen hoger dan 1.160 omw/min (min-1). De brandstofinjectie wordt ook onderbroken als het motortoerental boven 6.200 omw/min (min-1) komt, ongeacht de stand van de gasklep, om zo de motor te beschermen tegen overmatig hoge toerentallen. Als het voertuig is gestopt, sluit de ECM de brandstof af bij motortoerentallen boven 6.200 omw/min (min-1).

Brandstofpompregeling

Wanneer het contact wordt aangezet, schakelt de ECM het PGM-FI-hoofdrelais aan massa, die dan de brandstofpomp twee seconden bekrachtigt om het brandstofsysteem onder druk te brengen. Bij draaiende motor, aardt de ECM het PGM-FI-hoofdrelais en krijgt de brandstofpomp voeding. Als de motor niet draait en de contactschakelaar aanstaat, verbreekt de ECM de massa met het PGM-FI-hoofdrelais waardoor de stroom naar de brandstofpomp wordt onderbroken.

PGM-FI hoofdrelais 1 en 2

Het PGM-FI relais bestaat uit twee afzonderlijke relais. Hoofdrelais 1 van de PGM-FI wordt van voeding voorzien als de contactschakelaar AAN (II) is; deze levert accuspanning aan de ECM, stroom aan de verstuivers en stroom aan hoofdrelais 2 van de PGM-FI. Hoofdrelais 2 van de PGM-FI wordt gevoed zodat de brandstofpomp 2 seconden spanning krijgt als de contactschakelaar wordt AAN (II) gezet en als de motor loopt.

Katalysatorsysteem


Driewegkatalysator (TWC)

De TWC zet koolstoffen (HC), koolmonoxide (CO) en stikstofoxiden (NOx) in de uitlaatgassen om in kooldioxide (CO2), stikstofdioxide (N2) en waterdamp.

 

Uitlaatgasrecirculatie (EGR) systeem


Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

EGR-klep

De EGR-klep verlaagt piekverbrandingstemperaturen en vermindert stikstofoxide-emissies (NOx) door uitlaatgassen opnieuw door het inlaatspruitstuk, naar de verbrandingskamers te leiden.

Systeem voor positieve carterventilatie (PCV)


De PCV-klep voorkomt dat cartergassen vrijkomen in de atmosfeer door ze in het inlaatspruitstuk uit te blazen.

 

Benzinedampafzuigsysteem (EVAP)


Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

EVAP-regelbus

In de EVAP-filterbus wordt tijdelijk benzinedamp opgeslagen vanuit de brandstoftank, totdat deze kan worden aangezogen naar het verbrandingsproces in de motor (raadpleeg het schema van het systeem om de functionele opzet van het systeem te bekijken).

EVAP-ontluchtingsklep

Zodra de koelvloeistof daalt tot onder 40 °C, schakelt de ECM de ontluchtingsklep van het EVAP-koolstoffilter uit, die de onderdrukleiding naar het EVAP-koolstoffilter afsluit.

Schema van Elektronisch Gasklepregelsysteem


Het elektronisch gasklepregelsysteem bestaat uit de gasklepstelmotor, de gasklepstand (TP) sensor, de gaspedaalstand (APP) sensor en de ECM. De gasklep wordt elektronisch geregeld door dit systeem.

 

Schema EGR-systeem (uitlaatgasrecirculatie)


Het EGR systeem reduceert emissie van stikstofoxiden (NOx) door uitlaatgas te recirculeren via de EGR-klep en het inlaatspruitstuk in de verbrandingskamers. Het ECM-geheugen bevat de ideale stand van de EGR-klep voor verschillende bedrijfsomstandigheden.

De EGR-klepstandsensor detecteert de mate van opening van de EGR-klep en stuurt deze informatie naar de ECM. De ECM vergelijkt deze vervolgens met de ideale opening in haar geheugen (op basis van signalen ontvangen van andere sensors). Als er verschil tussen deze twee waarden is, sluit de ECM de stroom naar de EGR-klep af.

 

Schema benzinedampafzuigsysteem (EVAP-systeem)


Het regelsysteem voor benzinedampafvoer zorgt dat er zo min mogelijk benzinedamp ontsnapt naar de buitenlucht. De dampen in de benzinetank worden tijdelijk opgeslagen in de EVAP-filterbus tot ze vanuit de bus kunnen worden aangezogen naar de motor en daar worden verbrand.