Beschrijving brandstof- en emissiesystemen - L13A6 (CVT)

Beschrijving brandstof- en emissiesystemen - L13A6

Elektronisch regelsysteem


De functies van de brandstof- en emissieregelsystemen worden beheerd door de aandrijflijnregelmodule (PCM) bij voertuigen met automatische transmissies.

Fail-safe-functie

Als er een storing optreedt in een signaal van een sensor, negeert de PCM dat signaal en gaat uit van een voorgeprogrammeerde waarde voor die sensor waardoor de motor gewoon kan blijven draaien.

Back-upfunctie

Als er een storing in de PCM optreedt, worden de verstuivers gestuurd door een back-up circuit dat onafhankelijk van het systeem werkt om minimale rijfuncties mogelijk te maken.

Zelfdiagnose

Als zich in een sensorsignaal een afwijking voordoet, levert de PCM massa voor het defectsignaleringslampje en wordt de storingcode (DTC) opgeslagen in een wisbaar geheugen. Als de contactschakelaar AAN (II) wordt gezet, schakelt de PCM de MIL gedurende twee seconden aan massa om de conditie van het MIL-lampje te controleren.

Foutopsporing met dubbele controle

Om foute indicaties te voorkomen wordt de 'foutopsporing met dubbele controle' gebruikt voor enkele zelfdiagnosefuncties. Als zich iets abnormaals voordoet, slaat de PCM dit op in het geheugen. Als dezelfde afwijking zich weer voordoet nadat de contactschakelaar weer UIT en AAN (II) is gezet geeft de PCM dit door aan de bestuurder door het MIL aan te zetten.

PCM gegevens


U kunt gegevens uit de PCM lezen door het HDS of het scanapparaat op de datalinkstekker (DLC) aan te sluiten. De onderdelen in de onderstaande tabel voldoen aan de door SAE voorgeschreven procedure. De HDS kan nog meer gegevens aflezen die de SAE adviseert, zodat u mogelijk met deze gegevens de oorzaken van tijdelijke problemen kunt opsporen.

OPMERKING:

Gegevens Omschrijving Bedrijfswaarde Statusgegevens 
Storingscode (DTC) Als de PCM een storing vaststelt, wordt dit opgeslagen als een code van een letter en vier cijfers. Afhankelijk van het probleem wordt een SAE-code (P0xxx) of een Honda-code (P1xxx) aan de tester doorgegeven. Als er geen storing wordt gesignaleerd, is er geen code te zien JA 
Motortoerental De PCM berekent het motortoerental aan de hand van de signalen die door de krukasstandsensor (CKP) worden verstuurd. Deze gegevens worden gebruikt voor het bepalen van het tijdstip en de hoeveelheid te injecteren brandstof. Bijna hetzelfde als aanduiding van de toerenteller
Bij stationair toerental:
L13A6-motortype (CVT-model)
700±50 omw/min (min-1
JA 
Voertuigsnelheid De PCM zet pulssignalen van de voertuigsnelheidssensor (VSS-sensor) om. Bijna hetzelfde als aanduiding van de snelheidsmeter JA 
Absolute luchtdruk in inlaatspruitstuk (MAP) De absolute luchtdruk die door motorbelasting en toerental wordt veroorzaakt in het inlaatspruitstuk. Als motor niet loopt: Bijna hetzelfde als de buitenluchtdruk
Bij stationair toerental: ongeveer 20-34 kPa (150-260 mmHg), 0,7-1,1 V 
JA 
Koelvloeistoftemperatuur (ECT) De koelvloeistoftemperatuursensor zet de koelvloeistoftemperatuur om in een spanningsignaal dat naar de PCM wordt gezonden. De sensor is een thermistor waarvan de interne weerstand mee verandert met veranderingen in de temperatuur van de koelvloeistof. De PCM gebruikt de spanningssignalen van de sensor om de hoeveelheid te injecteren brandstof te bepalen. Bij een koude motor: zelfde als omgevingstemperatuur en IAT
Met opgewarmde motor: ongeveer 80-100 °C, 0,5-0,8 V 
JA 
Primaire verwarmde zuurstofsensor (primaire HO2S) (sensor 1), secundaire verwarmde zuurstofsensor (secundaire HO2S) (Sensor 2) De HO2S stelt het zuurstofgehalte in de uitlaatgassen vast en stuurt een spanningssignaal naar de PCM. De PCM bepaalt de lucht/brandstofverhouding op basis van dat signaal. Als het zuurstofgehalte hoog is (dat wil zeggen als de verhouding armer is dan de stoichiometrische verhouding), is het spanningssignaal lager. Als het zuurstofgehalte laag is (dat wil zeggen als de verhouding rijker is dan de stoichiometrische verhouding), is het spanningssignaal hoger. 0,0-1,25 V
Bij stationair toerental:
ongeveer 0,1-0,9 V 
NEE 

Gegevens PCM (vervolg)


Gegevens Omschrijving Bedrijfswaarde Statusgegevens 
Brandstofsysteemstatus Brandstofsysteemstatus wordt aangeduid met ''open'' of ''gesloten''.
Gesloten: Op basis van de uitvoer van de A/F sensor en de HO2S bepaalt de PCM de lucht/brandtofverhouding en regelt de hoeveelheid brandstof die wordt ingespoten.
Open: De PCM negeert de uitvoer van de A/F-sensor en de HO2S en gaat af op signalen van de gasklepstand (TP) sensor, de absolute inlaatspruitstukdruk (MAP) sensor, de inlaatluchttemperatuur (IAT) sensor, de atmosferische druk (BARO) sensor en de koelvloeistoftemperatuur (ECT) sensor om de hoeveelheid brandstof te regelen die wordt ingespoten. 
Bij stationair toerental: gesloten JA 
Kortetermijnbrandstofafstelling De correctiecoëfficiënt van de lucht/brandstofverhouding voor correctie van de hoeveelheid te injecteren brandstof als de brandstofsysteemstatus 'gesloten' is. Als de verhouding armer is dan de stoichiometrische verhouding, verhoogt de PCM geleidelijk de kortetermijnbrandstofafstelling, en neemt de hoeveelheid te injecteren brandstof toe. De lucht/brandstofverhouding wordt geleidelijk rijker, waardoor het zuurstofgehalte in de uitlaatgassen afneemt. Als gevolg hiervan wordt de kortetermijnbrandstofafstelling lager en vermindert de PCM de hoeveelheid te injecteren brandstof.
Deze cyclus houdt de lucht/brandstofverhouding dichtbij de stoichiometrische verhouding als het brandstofsysteemstatus gesloten is. 
0,70-1,47 JA 
Langetermijnbrandstofafstelling De langetermijnbrandstofafstelling wordt berekend op basis van de kortetermijnbrandstofafstelling en geeft de veranderingen aan die zich over een lange periode in het brandstoftoevoersysteem voordoen.
Als de langetermijnbrandstofafstelling groter is dan 1,00, moet de hoeveelheid te injecteren brandstof worden verhoogd. Als de waarde lager is dan 1,00, moet de hoeveelheid te injecteren brandstof worden verlaagd. 
0,72-1,35 JA 
Inlaatluchttemperatuur (IAT) De IAT-sensor zet de inlaatluchttemperatuur om in spanning die aan de PCM wordt doorgegeven. Als de inlaatluchttemperatuur laag is, neemt de interne weerstand van de sensor toe en is het spanningssignaal hoger. Bij een koude motor:
zelfde als omgevingstemperatuur en ECT 
JA 
Gasklepstand Op basis van de positie van het gaspedaal wordt de openingshoek van de gasklep aangegeven. Bij stationair toerental:
ongeveer 10%, 0,5 V 
JA 
Ontstekingsafstelling De ontstekingsafstelling wordt bepaald door de voorontstekingshoek die de PCM instelt. De PCM past de ontstekingsafstelling aan aan de rijomstandigheden. Bij stationair toerental: 8 °±5 °BDP wanneer de leiding van het SCS-servicesignaal met de HDS wordt overbrugd NEE 
Motorbelasting (CLV) CLV is de motorbelasting berekent uit de MAP-gegevens. Bij stationair toerental:
12-34 %
Bij 2.500 omw/min (min-1) onbelast:
15-25 % 
JA 

L13A6-motortype


Ingangs- en uitgangssignalen PCM bij stekker A (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
BLK/WHT PHO2SHTC (VERWARMINGSREGELING PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE HO2S)) Regelt primaire HO2S verwarming Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding 
YEL/BLK IPG2 (STROOMBRON) Stroombron voor het PCM circuit. Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V 
YEL/BLK IPG1 (STROOMBRON) Stroombron voor het PCM circuit. Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V 
BRN PG2 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) Massa voor het PCM circuit Altijd minder dan 0,1 V 
BLK PG1 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) Massa voor het PCM circuit Altijd minder dan 0,1 V 
WHT PHO2S (PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE HO2S) SENSOR 1) Detecteert signaal van primaire HO2S sensor (sensor 1). Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: ongeveer 0,6 V
Na snel sluiten van gasklep: minder dan 0,4 V 
BLU CKP-SENSOR (KRUKASPOSITIE) Detecteert signaal van CKP-sensor Met draaiende motor: pulsen 
RED/BLU KS (PINGELSENSOR) Spoort signaal van pingelsensor op. Met pingelende motor: pulsen
Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V 
10 GRN/BLK SG2 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 0,1 V 
11 GRN/WHT SG1 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 0,1 V 
12 BLK/BLU IACV (LUCHTREGELKLEP BIJ STATIONAIR TOERENTAL) Stuurt IAC-klep aan Met draaiende motor: regeling volgens belastingsverhouding 
13 WHT/BLK EGRP (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEPSTANDSENSOR) Detecteert EGR-klepstandsensorsignaal Met draaiende motor: 1,2-2,0 V (afhankelijk van EGR-kleplichthoogte) 
15 RED/BLK TPS (GASKLEPSTAND (TP) SENSOR) Spoort signaal van TP-sensor op Bij volledig geopende gasklep: ongeveer 4,8 V
Bij volledig gesloten gasklep: ongeveer 0,5 V 

Ingangs- en uitgangssignalen PCM bij stekker A (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
16 WHT/BLK IGPLS3E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 3) Stuurt achterste bobine nr. 3 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
17 BLK PG1 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) Massa voor het PCM circuit Altijd minder dan 0,1 V 
18 BLU/WHT VABS (VOERTUIGSNELHEIDSIGNAAL VANAF ANTIBLOKKEERSYSTEEM) Ingang voertuigsnelheid vanaf ABS-regeleenehid Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen 
19 RED/GRN SENSOR VOOR ABSOLUTE LUCHTDRUK IN INLAATSPRUITSTUK (MAP) Detecteert MAP-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 3 V
Bij stationair draaien: ongeveer 1,0 V (afhankelijk van het motortoerental) 
20 YEL/BLU VCC2 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V 
21 YEL/RED VCC1 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V 
23 BRN/YEL LG2 (LOGISCHE MASSA) Massa voor het PCM circuit Altijd minder dan 0,1 V 
24 BRN/YEL LG1 (LOGISCHE MASSA) Massa voor het PCM circuit Altijd minder dan 0,1 V 
26 GRN CMP (NOKKENASSTAND (CMP) SENSOR (TDC (BOVENSTE DODE PUNT (BDP) SENSOR)) Ontdekt CMP (TDC) sensor Met draaiende motor: pulsen 
27 WHT/BLU IGPLS4I (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 4) Stuurt bobine nr. 4 aan Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
28 WHT/BLK IGPLS3I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 3) Regelt voorste bobine nr. 3 
29 WHT/GRN IGPLS2I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 2) Regelt voorste bobine nr. 2 
30 WHT IGPLS1I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 1) Regelt voorste bobine nr. 1 

Ingangs- en uitgangssignalen PCM bij stekker B (24-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
WHT IGPLS1E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 1) Stuurt achterste bobine nr. 1 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
YEL INJ4 (BRANDSTOFINJECTOR Nr. 4) Stuurt injector nr. 4 aan Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Bij stationair draaien: regeling volgens belastingsverhouding 
BLU INJ3 (INJECTOR Nr. 3) Stuurt injector nr. 3 aan 
RED INJ2 (INJECTOR Nr. 2) Stuurt injector nr. 2 aan 
BRN INJ1 (INJECTOR Nr. 1) Stuurt injector nr. 1 aan 
GRN FANC (KOELVENTILATORREGELING) Stuurt relais van koelventilator Met koelventilator aan: ongeveer 0 V
Met koelventilator uit: accuspanning 
GRN/WHT HLCLS+ (CVT AANGEDREVEN POELIE REGELKLEP +KANT) Regelt CVT aangedreven poelie regelklep Met contactschakelaar op AAN (II): pulserend signaal 
RED/WHT ECT (TEMPERATUURSENSOR KOELVLOEISTOF) Detecteert ECT-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V
(afhankelijk van motorkoelvloeistoftemperatuur) 
10 WHT/GRN IGPLS2E (Nr. 2 PULS ACHTERSTE BOBINE) Stuurt achterste bobine nr. 2 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
11 RED/WHT MIND (M-CONTROLELAMPJE) Drijft M-controlelampje aan Met M controlelampje AAN: ongeveer 6 V
Met M controlelampje UIT: 0 V spanning 
13 WHT/RED ALTF (FR-SIGNAAL DYNAMO) Detecteert FR-signaal dynamo Met draaiende motor: ongeveer 0-5 V
(afhankelijk van elektrische belasting) 
14 PNK EGR (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEP) Regelt EGR-klep Bij werkende EGR: regeling volgens belastingsverhouding
Als de EGR niet werkt: ongeveer 0 V 
16 YEL SCLS+ (REGELKLEP VOOR WEGRIJKOPPELINGSDRUK VAN CVT + KANT) Regelklep voor wegrijkoppelingsdruk van CVT Met contactschakelaar op AAN (II): pulserend signaal 
17 RED/YEL IAT (TEMPERATUURSENSOR INLAATLUCHT) Detecteert IAT-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V
(afhankelijk van inlaatluchttemperatuur) 
18 WHT/GRN ALTC (REGELING DYNAMO) Stuurt regelsignaal naar dynamo Met draaiende motor: ongeveer 0-5 V
(afhankelijk van elektrische belasting) 
19 LT GRN/RED S-DN (TERUGSCHAKELSCHAKELAAR) Detecteert signaal van de terugschakelschakelaar Schakelaar van de stuurschakeling naar de terugschakelstand gedrukt (gemarkeerd met-): ongeveer 0 V
Stuurschakeling schakelaar in neutrale stand: ongeveer 5 V 
20 YEL S-UP (OPSCHAKELSCHAKELAAR) Detecteert signaal opschakelschakelaar Schakelaar van de stuurschakeling naar de opschakelstand gedrukt (gemarkeerd met +): ongeveer 0 V
Stuurschakeling schakelaar in neutrale stand: ongeveer 5 V 
21 RED/YEL PCS (BRANDSTOFTANK ONTLUCHTINGSKLEP VOOR BENZINEDAMPEMISSIE (EVAP)) Stuurt EVAP-brandstoftank afzuigregelklep aan Bij draaiende motor, motorkoelvloeistoftemperatuur lager dan 70°C: ongeveer 0 V
Bij draaiende motor, motorkoelvloeistoftemperatuur hoger dan 70°C: regeling volgens belastingsverhouding 
22 WHT/BLU IGPLS4E (Nr. 4 PULS ACHTERSTE BOBINE) Stuurt achterste bobine nr. 4 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
24 BLU/WHT SHLS+ (CVT POELIEDRUK REGELWAARDE +KANT) Regelt CVT aandrijfpoelie regelklep Met contactschakelaar op AAN (II): regeling volgens belastingsverhouding 

Ingangs- en uitgangsignalen PCM bij stekker C (22-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
PNK/BLK HLCLS- (CVT AANGEDREVEN POELIE REGELKLEP -KANT) Regelt CVT aangedreven poelie regelklep  
BRN PG (CVT2) (MASSA VOEDINGSCIRCUIT CVT2) Massa voor het PCM circuit  
BLK PG (CVT1) (MASSA VOEDINGSCIRCUIT CVT1) Massa voor het PCM circuit  
GRN/BLK INHSOL (REGELING SOLENOIDEBLOKKERING) Stuurt blokkeringssolenoïde aan Bij blokkeringssolenoïde AAN: accuspanning
Bij blokkeersolenoïde UIT: ongeveer 0 V 
RED/BLU NDR (SNELHEIDSSENSOR VAN AANDRIJFPOELIE CVT) Detecteert signaal snelheidssensor aandrijfpoelie CVT. Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V of ongeveer 5 V 
PNK/BLU SCLS - (CVT DRUKREGELKLEP VAN STARTKOPPELING B -KANT) Regelklep voor wegrijkoppelingsdruk van CVT  
BLU/WHT ATPS (STAND S VAN TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) Regelt S-stand signaal van transmissiebereikschakelaar In stand S: ongeveer 0 V
In elke andere stand: ongeveer 5 V of accuspanning 
10 WHT ATPR (TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR STAND R) Detecteert signaal stand R van transmissiebereikschakelaar In stand R: ongeveer 0 V
In elke andere stand: ongeveer 10 V 
11 BLU ATPL (STAND L VAN TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) Detecteert signaal stand L van transmissiebereikschakelaar In stand L: ongeveer 0 V
In elke andere stand: ongeveer 10 V 
12 LT GRN ATPNP (TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR STAND VRIJ/PARKEREN) Detecteert signaal stand Vrij/Parkeren van transmissiebereikschakelaar In Parkeren of Vrij: ongeveer 0 V
In elke andere stand: ongeveer 10 V 
13 YEL MSW (HOOFDSCHAKELAAR) Detecteert signaal hoofdschakelaar
(7SPEED MODE) 
Hoofdschakelaar (7-SPEED MODUS) ingedrukt: ongeveer 0 V
Hoofdschakelaar (7-SPEED MODUS) losgelaten: ongeveer 5 V 
15 WHT NDN (SNELHEIDSSENSOR VAN CVT AANGEDREVEN POELIE) Detecteert signaal snelheidssensor aangedreven poelie CVT. Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V of ongeveer 5 V 
16 GRN/YEL SHLS- (CVT AANDRIJFPOELIE REGELKLEP-KANT) Regelt CVT aandrijfpoelie regelklep Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen 
20 PNK ATPD (STAND D TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) Detecteert signaal stand D van transmissiebereikschakelaar In stand D: ongeveer 0 V
In elke andere stand: ongeveer 5 V 
22 WHT/RED VEL1 (CVT SNELHEIDSSENSOR) Detecteert CVT snelheidssensor Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen
Als voertuig stilstaat: ongeveer 0 V of ongeveer 5 V 

Ingangs- en uitgangssignalen PCM bij stekker E (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
GRN/YEL IMO FPR (BRANDSTOFPOMPRELAIS STARTBLOKKERING) Stuurt PGM-FI-hoofdrelais 2. Ongeveer 0 V gedurende twee seconden nadat contactschakelaar AAN (II) is gezet, daarna accuspanning 
WHT/RED SHO2S (SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S, SENSOR 2) Detecteert signaal van secundaire HO2S sensor (sensor 2). Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: hoger dan 0,6 V
Na snel sluiten van gasklep: minder dan 0,4 V 
BRN/YEL LG3 (LOGISCHE MASSA) Massa voor het PCM regelcircuit Altijd minder dan 0,1 V 
PNK SG3 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 0,1 V 
GRN/WHT FUP (BRANDSTOFINJECTIESIGNAAL) Zend brandstofinjectiesignaal naar instrumenteneenheid Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen 
BLK/WHT SHO2SHTC (VERWARMINGSREGELING SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S)) Stuurt secundaire HO2S verwarming aan Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding 
RED/YEL MRLY (PGM-FI-HOOFDRELAIS) Stuurt PGM-FI hoofdrelais 1 Voedingspanning voor het DTC-geheugen aan Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met contactschakelaar op UIT: accuspanning 
BLU/WHT LED A Regelt schakel controlelampje In 7SPEED MODE:
  • in 1e, 2e, 3e en 4e en 7e: ongeveer 0,3 V
  • in 4e, 5e en 6e: ongeveer 5 V
 
YEL/BLK IG1 (CONTACTSIGNAAL) Detecteert contactsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V 
11 PNK DIND (D CONTROLELAMPJE) Stuurt D controlelampje aan Met controlelampje D AAN: ongeveer 6 V
Met controlelampje D UIT: ongeveer 0 V 
12 BLU TAC Detecteert signaal verdampersensor Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van temperatuur verdamper) 
13 BLU/RED SLC (REGELING SCHAKELVERGRENDELINGSSOLENOÏDE) Stuurt schakelvergrendelingssolenoïde aan Met contactschakelaar op AAN (II), in Parkeerstand, rempedaal ingetrapt, en gaspedaal losgelaten: ongeveer 0 V 
15 GRN/RED ELD (ELEKTRISCHE BELASTINGDETECTOR) Detecteert ELD-signaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van elektrische belasting) 

Ingangs- en uitgangssignalen PCM bij stekker E (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
18 RED ACC (RELAIS AIRCOKOPPELING) Stuurt relais van aircokoppeling aan Met compressor AAN: ongeveer 0 V
Met compressor UIT: accuspanning 
20 GRN/BLK LED C Regelt schakel controlelampje In 7SPEED MODE:
  • in 2e, 4e, 6e en 7e: ongeveer 0,3 V
  • in 1e, 3e en 5e: ongeveer 5 V
 
21 RED/WHT LED B Regelt schakel controlelampje In 7SPEED MODE:
  • in 1e, 4e, 5e en 7e: ongeveer 0,3 V
  • in 2e, 3e en 6e: ongeveer 5 V
 
22 WHT/BLK BKSW (REMPEDAALSTANDSCHAKELAAR) Detecteert signaal van rempedaalstandschakelaar Met rempedaal los: ongeveer 0 V
Met rempedaal ingedrukt: accuspanning 
23 RED/WHT K-LIJN Verstuurt en ontvangt signaal van HDS of scanapparaat. Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning 
24 GRN MTRTW Verstuurt signaal motorkoelvloeistoftemperatuur Met contactschakelaar op AAN (II): puls 
25 BLU/YEL VSSOUT (UTGANGSSIGNAAL VAN SENSOR VOERTUIGSNELHEID) Verstuurt signaal voertuigsnelheidssensor Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen 
26 BLU NEP (MOTORTOERENTALPULS) Geeft motortoerentalpuls Met draaiende motor: pulsen 
27 RED/BLU IMOCD (STARTBLOKKERINGSCODE) Detecteert startblokkeringssignaal  
28 BLU/WHT ACS (AIRCOSCHAKELAARSIGNAAL) Detecteert aircoschakelaarsignaal Met aircoschakelaar AAN: ongeveer 0 V
Met aircoschakelaar UIT: ongeveer 5 V 
29 BRN SCS (DIAGNOSESIGNAAL) Detecteert het diagnosesignaal Met het servicecontrolesignaal kortgesloten met de HDS of het scanapparaat: ongeveer 0 V
Bij draadbreuk in het diagnosesignaal: ongeveer 5 V 
30 RED/BLU WEN (SIGNAAL VOOR INSCHAKELEN SCHRIJVEN) Detecteert signaal voor inschakelen schrijven Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V 
31 GRN/ORN MIL (DEFECTSIGNALERINGSLAMPJE) Stuurt MIL Met MIL AAN: ongeveer 0 V
Met MIL UIT: accuspanning 

Loop van de vacuümslang


L13A6-motortype 

Onderdrukverdeling


L13A6-motortype 

PGM-FI-systeem


Het PGM-FI-systeem (Programmed Fuel Injection) is een sequentieel multipoint brandstofinjectiesysteem.

Relais van aircocompressorkoppeling

Als de aandrijflijnregelmodule (PCM) een vraag om koeling ontvangt van het aircosysteem, wordt de bekrachtiging van de aircocompressor iets uitgesteld; eerst wordt het lucht/brandstofmengsel verrijkt om zo een soepele overgang naar aircomodus te garanderen.

Dynamoregeling

De dynamo stuurt tijdens het laden een signaal naar de PCM.

Barometerdruk (BARO) sensor

De BARO-sensor bevindt zich in de PCM. De sensor zet de atmosferische druk om in een spanningssignaal dat de PCM gebruikt voor de aanpassing van de basisduur van de brandstofinjectie.

Nokkenasstand (CMP) sensor
(Bovenste Dode punt (TDC) Sensor)

De CMP-sensor (TDC) detecteert de stand van cilinder nr. 1 als referentiewaarde voor de volgorde van de brandstofinspuiting voor elke cilinder.


 

Krukasstand (CKP) sensor

De CKP-sensor bepaalt het motortoerental en stelt het ontstekingstijdstip en het tijdstip van de brandstofinjectie in elke cilinder vast.

 

Motorkoelvloeistoftemperatuur (ECT) sensor

De ECT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de motorkoelvloeistof toeneemt.

 

i-DSI-systeem

De PCM regelt de afstand in ontstekingsfase tussen de voorste en de achterste bougies in overeenstemming met het motortoerental en de onderdruk in het inlaatspruitstuk.

 

Regeling ontstekingstijdstip

In het geheugen van de PCM zijn gegevens opgeslagen voor het basisontstekingstijdstip bij verschillende motortoerentallen en absolute luchtdruk inlaatspruitstuk. Ook wordt de ontstekingsverstelling aangepast op basis van de temperatuur van de motorkoelvloeistof.

Tijdstip en duur van injectie

In het PCM-geheugen zijn gegevens opgeslagen over de basisduur van de brandstofinjectie bij verschillende motortoerentallen en luchtdrukwaarden in het inlaatspruitstuk. De uiteindelijke duur van de brandstofinjectie wordt verkregen door de basisduur uit het geheugen te combineren met de signalen van een aantal sensoren.
Door registratie van de langetermijnbrandstofafstelling spoort de PCM langetermijnstoringen in de werking van het brandstofsysteem op. Er wordt dan een storingscode (DTC) geactiveerd.

Sensor voor inlaatluchttemperatuur (IAT)

De IAT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de inlaatlucht toeneemt.

 

Pingelsensor

De pingelregeling stelt de ontstekingstijd zodanig bij dat pingelen tot een minimum wordt beperkt.

 


Sensor voor absolute luchtdruk in inlaatspruitstuk (MAP)

De MAP-sensor zet de absolute luchtdruk in het inlaatspruitstuk om in een elektrisch signaal naar de PCM.

 

Primaire verwarmde zuurstofsensor (primaire HO2S)

De primaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen en zendt vervolgens signalen naar de PCM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De primaire zuurstofsensor (HO2S) is ingebouwd in het uitlaatspruitstuk. Doordat de lucht/brandstofverhouding via primaire HO2S en secundaire HO2S wordt afgeregeld, kan de achteruitgang van de primaire HO2S worden gecontroleerd volgens de terugkoppelingsperiode. Wanneer de terugkoppelingsperiode tijdens stabiele rijcondities een bepaalde waarde overstijgt, wordt de sensor beschouwd als zijnde verslechterd en activeert de PCM een storingscode.

 

Secundaire verwarmde zuurstofsensor (secundaire HO2S)

De secundaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen achter de driewegkatalysator (TWC) en zendt vervolgens signalen naar de PCM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De secundaire HO2S is gemonteerd in de driewegkatalysator.

 

Startregeling

Als de motor wordt gestart, voorziet de PCM de motor van een rijk mengsel door de duur van de brandstofinjectie te verhogen.

Sensor van gasklepstand (TP)

De TP-sensor is een potentiometer die is verbonden met de as van de gasklep. Naarmate de gasklepstand varieert, wijzigt de sensor de signaalspanning naar de PCM. De TP-sensor kan niet los van het gasklephuis worden vervangen.

 

Stationair regelsysteem


Als de motor koud is, de aircocompressor aan staat, de versnellingsbak in een versnellingsstand staat, het rempedaal is ingetrapt, de stuurbekrachtigingbelasting hoog is of als de dynamo bezig is met opladen, regelt de PCM de stroom naar de IAC-klep om zo het juiste stationaire toerental te handhaven. Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

Rempedaalstandschakelaar

De rempedaalstandschakelaar zendt een signaal naar de PCM als het rempedaal wordt ingetrapt.

Klep voor luchtregeling bij stationair toerental (IAC)

Om het juiste stationaire toerental te handhaven past de IAC-klep de hoeveelheid lucht aan die om het gasklephuis heengeleid wordt, als reactie op een elektrisch signaal van de PCM.

 

Brandstoftoevoersysteem


Regeling afsluiting brandstof

Tijdens decelereren met gesloten gasklep, wordt de elektrische stroom naar de verstuivers afgesloten om het brandstofverbruik te verbeteren bij toerentallen hoger dan 850 omw/min (min-1). De brandstofinjectie wordt ook onderbroken als het motortoerental boven 6.200 omw/min (min-1) komt, ongeacht de stand van de gasklep, om zo de motor te beschermen tegen overmatig hoge toerentallen. Als het voertuig is gestopt, sluit de PCM de brandstof af bij motortoerentallen boven 5.000 omw/min (min-1).

Brandstofpompregeling

Wanneer het contact wordt aangezet, schakelt de PCM het PGM-FI-hoofdrelais aan massa, die dan de brandstofpomp twee seconden bekrachtigt om het brandstofsysteem onder druk te brengen. Bij draaiende motor, aardt de PCM het PGM-FI-hoofdrelais en krijgt de brandstofpomp voeding. Als de motor niet draait en de contactschakelaar aanstaat, verbreekt de PCM de massa met het PGM-FI-hoofdrelais waardoor de stroom naar de brandstofpomp wordt onderbroken.

PGM-FI hoofdrelais 1 en 2

Het PGM-FI relais bestaat uit twee afzonderlijke relais. Hoofdrelais 1 van de PGM-FI wordt van voeding voorzien als de contactschakelaar AAN (II) is; deze levert accuspanning aan de PCM, stroom aan de verstuivers en stroom aan hoofdrelais 2 van de PGM-FI. Hoofdrelais 2 van de PGM-FI wordt gevoed zodat de brandstofpomp 2 seconden spanning krijgt als de contactschakelaar wordt AAN (II) gezet en als de motor loopt.

Luchtinlaatsysteem


Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

Gasklephuis

Het gasklephuis is van het enkelvoudige vlakstroomtype. Het onderste gedeelte van de IAC-klep wordt verwarmd door motorkoelvloeistof die vanaf de cilinderkop wordt aangevoerd.

 

Katalysatorsysteem


Driewegkatalysator (TWC)

De TWC zet koolstoffen (HC), koolmonoxide (CO) en stikstofoxiden (NOx) in de uitlaatgassen om in kooldioxide (CO2), stikstofdioxide (N2) en waterdamp.

 

Systeem voor positieve carterventilatie (PCV)


De PCV-klep voorkomt dat cartergassen vrijkomen in de atmosfeer door ze in het inlaatspruitstuk uit te blazen.

 

Benzinedampafzuigsysteem (EVAP)


Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

EVAP-regelbus

In de EVAP-filterbus wordt tijdelijk benzinedamp opgeslagen vanuit de brandstoftank, totdat deze kan worden aangezogen naar het verbrandingsproces in de motor (raadpleeg het schema van het systeem om de functionele opzet van het systeem te bekijken).

EVAP-ontluchtingsklep

Zodra de motorkoelvloeistof daalt tot onder 70 °C, schakelt de PCM de ontluchtingsklep van het EVAP-koolstoffilter uit, die de onderdrukleiding naar het EVAP-koolstoffilter afsluit.

Elektrisch schema regeling stationair toerental


Het stationaire toerental van de motor wordt geregeld door de luchtregelklep stationair toerental (IAC-klep).

 

Schema inlaatluchtsysteem


Dit systeem voorziet diverse motorfuncties van lucht. Een resonantiekamer in de inlaataanzuigbuis zorgt voor extra geluiddemping als lucht in het systeem wordt gezogen.

 

Schema EGR-systeem (uitlaatgasrecirculatie)


Het EGR systeem reduceert emissie van stikstofoxiden (NOx) door uitlaatgas te recirculeren via de EGR-klep en het inlaatspruitstuk in de verbrandingskamers. Het PCM-geheugen bevat de ideale stand van de EGR-klep voor verschillende bedrijfsomstandigheden.

De EGR-klepstandsensor detecteert de mate van opening van de EGR-klep en stuurt deze informatie naar de PCM. De PCM vergelijkt deze vervolgens met de ideale opening in haar geheugen (op basis van signalen ontvangen van andere sensors). Als er verschil tussen deze twee waarden is, sluit de PCM de stroom naar de EGR-klep af.




 

Schema benzinedampafzuigsysteem (EVAP-systeem)


Het regelsysteem voor benzinedampafvoer zorgt dat er zo min mogelijk benzinedamp ontsnapt naar de buitenlucht. De dampen in de benzinetank worden tijdelijk opgeslagen in de EVAP-filterbus tot ze vanuit de bus kunnen worden aangezogen naar de motor en daar worden verbrand.