| Gegevens | Omschrijving | Bedrijfswaarde | Statusgegevens |
|---|---|---|---|
| Storingscode (DTC) | Als de PCM een storing vaststelt, wordt dit opgeslagen als een code van een letter en vier cijfers. Afhankelijk van het probleem wordt een SAE-code (P0xxx) of een Honda-code (P1xxx) aan de tester doorgegeven. | Als er geen storing wordt gesignaleerd, is er geen code te zien | JA |
| Motortoerental | De PCM berekent het motortoerental aan de hand van de signalen die door de krukasstandsensor (CKP) worden verstuurd. Deze gegevens worden gebruikt voor het bepalen van het tijdstip en de hoeveelheid te injecteren brandstof. | Bijna hetzelfde als aanduiding van de toerenteller Bij stationair toerental: L13A6-motortype (CVT-model) 700±50 omw/min (min-1) | JA |
| Voertuigsnelheid | De PCM zet pulssignalen van de voertuigsnelheidssensor (VSS-sensor) om. | Bijna hetzelfde als aanduiding van de snelheidsmeter | JA |
| Absolute luchtdruk in inlaatspruitstuk (MAP) | De absolute luchtdruk die door motorbelasting en toerental wordt veroorzaakt in het inlaatspruitstuk. | Als motor niet loopt: Bijna hetzelfde als de buitenluchtdruk Bij stationair toerental: ongeveer 20-34 kPa (150-260 mmHg), 0,7-1,1 V | JA |
| Koelvloeistoftemperatuur (ECT) | De koelvloeistoftemperatuursensor zet de koelvloeistoftemperatuur om in een spanningsignaal dat naar de PCM wordt gezonden. De sensor is een thermistor waarvan de interne weerstand mee verandert met veranderingen in de temperatuur van de koelvloeistof. De PCM gebruikt de spanningssignalen van de sensor om de hoeveelheid te injecteren brandstof te bepalen. | Bij een koude motor: zelfde als omgevingstemperatuur en IAT Met opgewarmde motor: ongeveer 80-100 °C, 0,5-0,8 V | JA |
| Primaire verwarmde zuurstofsensor (primaire HO2S) (sensor 1), secundaire verwarmde zuurstofsensor (secundaire HO2S) (Sensor 2) | De HO2S stelt het zuurstofgehalte in de uitlaatgassen vast en stuurt een spanningssignaal naar de PCM. De PCM bepaalt de lucht/brandstofverhouding op basis van dat signaal. Als het zuurstofgehalte hoog is (dat wil zeggen als de verhouding armer is dan de stoichiometrische verhouding), is het spanningssignaal lager. Als het zuurstofgehalte laag is (dat wil zeggen als de verhouding rijker is dan de stoichiometrische verhouding), is het spanningssignaal hoger. | 0,0-1,25 V Bij stationair toerental: ongeveer 0,1-0,9 V | NEE |
| Gegevens | Omschrijving | Bedrijfswaarde | Statusgegevens |
|---|---|---|---|
| Brandstofsysteemstatus | Brandstofsysteemstatus wordt aangeduid met ''open'' of ''gesloten''. Gesloten: Op basis van de uitvoer van de A/F sensor en de HO2S bepaalt de PCM de lucht/brandtofverhouding en regelt de hoeveelheid brandstof die wordt ingespoten. Open: De PCM negeert de uitvoer van de A/F-sensor en de HO2S en gaat af op signalen van de gasklepstand (TP) sensor, de absolute inlaatspruitstukdruk (MAP) sensor, de inlaatluchttemperatuur (IAT) sensor, de atmosferische druk (BARO) sensor en de koelvloeistoftemperatuur (ECT) sensor om de hoeveelheid brandstof te regelen die wordt ingespoten. | Bij stationair toerental: gesloten | JA |
| Kortetermijnbrandstofafstelling | De correctiecoëfficiënt van de lucht/brandstofverhouding voor correctie van de hoeveelheid te injecteren brandstof als de brandstofsysteemstatus 'gesloten' is. Als de verhouding armer is dan de stoichiometrische verhouding, verhoogt de PCM geleidelijk de kortetermijnbrandstofafstelling, en neemt de hoeveelheid te injecteren brandstof toe. De lucht/brandstofverhouding wordt geleidelijk rijker, waardoor het zuurstofgehalte in de uitlaatgassen afneemt. Als gevolg hiervan wordt de kortetermijnbrandstofafstelling lager en vermindert de PCM de hoeveelheid te injecteren brandstof. Deze cyclus houdt de lucht/brandstofverhouding dichtbij de stoichiometrische verhouding als het brandstofsysteemstatus gesloten is. | 0,70-1,47 | JA |
| Langetermijnbrandstofafstelling | De langetermijnbrandstofafstelling wordt berekend op basis van de kortetermijnbrandstofafstelling en geeft de veranderingen aan die zich over een lange periode in het brandstoftoevoersysteem voordoen. Als de langetermijnbrandstofafstelling groter is dan 1,00, moet de hoeveelheid te injecteren brandstof worden verhoogd. Als de waarde lager is dan 1,00, moet de hoeveelheid te injecteren brandstof worden verlaagd. | 0,72-1,35 | JA |
| Inlaatluchttemperatuur (IAT) | De IAT-sensor zet de inlaatluchttemperatuur om in spanning die aan de PCM wordt doorgegeven. Als de inlaatluchttemperatuur laag is, neemt de interne weerstand van de sensor toe en is het spanningssignaal hoger. | Bij een koude motor: zelfde als omgevingstemperatuur en ECT | JA |
| Gasklepstand | Op basis van de positie van het gaspedaal wordt de openingshoek van de gasklep aangegeven. | Bij stationair toerental: ongeveer 10%, 0,5 V | JA |
| Ontstekingsafstelling | De ontstekingsafstelling wordt bepaald door de voorontstekingshoek die de PCM instelt. De PCM past de ontstekingsafstelling aan aan de rijomstandigheden. | Bij stationair toerental: 8 °±5 °BDP wanneer de leiding van het SCS-servicesignaal met de HDS wordt overbrugd | NEE |
| Motorbelasting (CLV) | CLV is de motorbelasting berekent uit de MAP-gegevens. | Bij stationair toerental: 12-34 % Bij 2.500 omw/min (min-1) onbelast: 15-25 % | JA |
OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.
| Aansluiting nummer | Draadkleur | Naam van aansluiting | Omschrijving | Signaal |
|---|---|---|---|---|
| 1 | BLK/WHT | PHO2SHTC (VERWARMINGSREGELING PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE HO2S)) | Regelt primaire HO2S verwarming | Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding |
| 2 | YEL/BLK | IPG2 (STROOMBRON) | Stroombron voor het PCM circuit. | Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V |
| 3 | YEL/BLK | IPG1 (STROOMBRON) | Stroombron voor het PCM circuit. | Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V |
| 4 | BRN | PG2 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) | Massa voor het PCM circuit | Altijd minder dan 0,1 V |
| 5 | BLK | PG1 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) | Massa voor het PCM circuit | Altijd minder dan 0,1 V |
| 6 | WHT | PHO2S (PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE HO2S) SENSOR 1) | Detecteert signaal van primaire HO2S sensor (sensor 1). | Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: ongeveer 0,6 V Na snel sluiten van gasklep: minder dan 0,4 V |
| 7 | BLU | CKP-SENSOR (KRUKASPOSITIE) | Detecteert signaal van CKP-sensor | Met draaiende motor: pulsen |
| 9 | RED/BLU | KS (PINGELSENSOR) | Spoort signaal van pingelsensor op. | Met pingelende motor: pulsen Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V |
| 10 | GRN/BLK | SG2 (SENSORMASSA) | Sensormassa | Altijd minder dan 0,1 V |
| 11 | GRN/WHT | SG1 (SENSORMASSA) | Sensormassa | Altijd minder dan 0,1 V |
| 12 | BLK/BLU | IACV (LUCHTREGELKLEP BIJ STATIONAIR TOERENTAL) | Stuurt IAC-klep aan | Met draaiende motor: regeling volgens belastingsverhouding |
| 13 | WHT/BLK | EGRP (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEPSTANDSENSOR) | Detecteert EGR-klepstandsensorsignaal | Met draaiende motor: 1,2-2,0 V (afhankelijk van EGR-kleplichthoogte) |
| 15 | RED/BLK | TPS (GASKLEPSTAND (TP) SENSOR) | Spoort signaal van TP-sensor op | Bij volledig geopende gasklep: ongeveer 4,8 V Bij volledig gesloten gasklep: ongeveer 0,5 V |
OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.
| Aansluiting nummer | Draadkleur | Naam van aansluiting | Omschrijving | Signaal |
|---|---|---|---|---|
| 16 | WHT/BLK | IGPLS3E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 3) | Stuurt achterste bobine nr. 3 | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V Met draaiende motor: pulsen |
| 17 | BLK | PG1 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) | Massa voor het PCM circuit | Altijd minder dan 0,1 V |
| 18 | BLU/WHT | VABS (VOERTUIGSNELHEIDSIGNAAL VANAF ANTIBLOKKEERSYSTEEM) | Ingang voertuigsnelheid vanaf ABS-regeleenehid | Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen |
| 19 | RED/GRN | SENSOR VOOR ABSOLUTE LUCHTDRUK IN INLAATSPRUITSTUK (MAP) | Detecteert MAP-sensorsignaal | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 3 V Bij stationair draaien: ongeveer 1,0 V (afhankelijk van het motortoerental) |
| 20 | YEL/BLU | VCC2 (SENSORSPANNING) | Levert sensorspanning | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V |
| 21 | YEL/RED | VCC1 (SENSORSPANNING) | Levert sensorspanning | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V |
| 23 | BRN/YEL | LG2 (LOGISCHE MASSA) | Massa voor het PCM circuit | Altijd minder dan 0,1 V |
| 24 | BRN/YEL | LG1 (LOGISCHE MASSA) | Massa voor het PCM circuit | Altijd minder dan 0,1 V |
| 26 | GRN | CMP (NOKKENASSTAND (CMP) SENSOR (TDC (BOVENSTE DODE PUNT (BDP) SENSOR)) | Ontdekt CMP (TDC) sensor | Met draaiende motor: pulsen |
| 27 | WHT/BLU | IGPLS4I (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 4) | Stuurt bobine nr. 4 aan | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V Met draaiende motor: pulsen |
| 28 | WHT/BLK | IGPLS3I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 3) | Regelt voorste bobine nr. 3 | |
| 29 | WHT/GRN | IGPLS2I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 2) | Regelt voorste bobine nr. 2 | |
| 30 | WHT | IGPLS1I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 1) | Regelt voorste bobine nr. 1 |
OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.
| Aansluiting nummer | Draadkleur | Naam van aansluiting | Omschrijving | Signaal |
|---|---|---|---|---|
| 1 | WHT | IGPLS1E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 1) | Stuurt achterste bobine nr. 1 | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V Met draaiende motor: pulsen |
| 2 | YEL | INJ4 (BRANDSTOFINJECTOR Nr. 4) | Stuurt injector nr. 4 aan | Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning Bij stationair draaien: regeling volgens belastingsverhouding |
| 3 | BLU | INJ3 (INJECTOR Nr. 3) | Stuurt injector nr. 3 aan | |
| 4 | RED | INJ2 (INJECTOR Nr. 2) | Stuurt injector nr. 2 aan | |
| 5 | BRN | INJ1 (INJECTOR Nr. 1) | Stuurt injector nr. 1 aan | |
| 6 | GRN | FANC (KOELVENTILATORREGELING) | Stuurt relais van koelventilator | Met koelventilator aan: ongeveer 0 V Met koelventilator uit: accuspanning |
| 7 | GRN/WHT | HLCLS+ (CVT AANGEDREVEN POELIE REGELKLEP +KANT) | Regelt CVT aangedreven poelie regelklep | Met contactschakelaar op AAN (II): pulserend signaal |
| 8 | RED/WHT | ECT (TEMPERATUURSENSOR KOELVLOEISTOF) | Detecteert ECT-sensorsignaal | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van motorkoelvloeistoftemperatuur) |
| 10 | WHT/GRN | IGPLS2E (Nr. 2 PULS ACHTERSTE BOBINE) | Stuurt achterste bobine nr. 2 | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V Met draaiende motor: pulsen |
| 11 | RED/WHT | MIND (M-CONTROLELAMPJE) | Drijft M-controlelampje aan | Met M controlelampje AAN: ongeveer 6 V Met M controlelampje UIT: 0 V spanning |
| 13 | WHT/RED | ALTF (FR-SIGNAAL DYNAMO) | Detecteert FR-signaal dynamo | Met draaiende motor: ongeveer 0-5 V (afhankelijk van elektrische belasting) |
| 14 | PNK | EGR (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEP) | Regelt EGR-klep | Bij werkende EGR: regeling volgens belastingsverhouding Als de EGR niet werkt: ongeveer 0 V |
| 16 | YEL | SCLS+ (REGELKLEP VOOR WEGRIJKOPPELINGSDRUK VAN CVT + KANT) | Regelklep voor wegrijkoppelingsdruk van CVT | Met contactschakelaar op AAN (II): pulserend signaal |
| 17 | RED/YEL | IAT (TEMPERATUURSENSOR INLAATLUCHT) | Detecteert IAT-sensorsignaal | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van inlaatluchttemperatuur) |
| 18 | WHT/GRN | ALTC (REGELING DYNAMO) | Stuurt regelsignaal naar dynamo | Met draaiende motor: ongeveer 0-5 V (afhankelijk van elektrische belasting) |
| 19 | LT GRN/RED | S-DN (TERUGSCHAKELSCHAKELAAR) | Detecteert signaal van de terugschakelschakelaar | Schakelaar van de stuurschakeling naar de terugschakelstand gedrukt (gemarkeerd met-): ongeveer 0 V Stuurschakeling schakelaar in neutrale stand: ongeveer 5 V |
| 20 | YEL | S-UP (OPSCHAKELSCHAKELAAR) | Detecteert signaal opschakelschakelaar | Schakelaar van de stuurschakeling naar de opschakelstand gedrukt (gemarkeerd met +): ongeveer 0 V Stuurschakeling schakelaar in neutrale stand: ongeveer 5 V |
| 21 | RED/YEL | PCS (BRANDSTOFTANK ONTLUCHTINGSKLEP VOOR BENZINEDAMPEMISSIE (EVAP)) | Stuurt EVAP-brandstoftank afzuigregelklep aan | Bij draaiende motor, motorkoelvloeistoftemperatuur lager dan 70°C: ongeveer 0 V Bij draaiende motor, motorkoelvloeistoftemperatuur hoger dan 70°C: regeling volgens belastingsverhouding |
| 22 | WHT/BLU | IGPLS4E (Nr. 4 PULS ACHTERSTE BOBINE) | Stuurt achterste bobine nr. 4 | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V Met draaiende motor: pulsen |
| 24 | BLU/WHT | SHLS+ (CVT POELIEDRUK REGELWAARDE +KANT) | Regelt CVT aandrijfpoelie regelklep | Met contactschakelaar op AAN (II): regeling volgens belastingsverhouding |
OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.
| Aansluiting nummer | Draadkleur | Naam van aansluiting | Omschrijving | Signaal |
|---|---|---|---|---|
| 1 | PNK/BLK | HLCLS- (CVT AANGEDREVEN POELIE REGELKLEP -KANT) | Regelt CVT aangedreven poelie regelklep | |
| 3 | BRN | PG (CVT2) (MASSA VOEDINGSCIRCUIT CVT2) | Massa voor het PCM circuit | |
| 5 | BLK | PG (CVT1) (MASSA VOEDINGSCIRCUIT CVT1) | Massa voor het PCM circuit | |
| 6 | GRN/BLK | INHSOL (REGELING SOLENOIDEBLOKKERING) | Stuurt blokkeringssolenoïde aan | Bij blokkeringssolenoïde AAN: accuspanning Bij blokkeersolenoïde UIT: ongeveer 0 V |
| 7 | RED/BLU | NDR (SNELHEIDSSENSOR VAN AANDRIJFPOELIE CVT) | Detecteert signaal snelheidssensor aandrijfpoelie CVT. | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V of ongeveer 5 V |
| 8 | PNK/BLU | SCLS - (CVT DRUKREGELKLEP VAN STARTKOPPELING B -KANT) | Regelklep voor wegrijkoppelingsdruk van CVT | |
| 9 | BLU/WHT | ATPS (STAND S VAN TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) | Regelt S-stand signaal van transmissiebereikschakelaar | In stand S: ongeveer 0 V In elke andere stand: ongeveer 5 V of accuspanning |
| 10 | WHT | ATPR (TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR STAND R) | Detecteert signaal stand R van transmissiebereikschakelaar | In stand R: ongeveer 0 V In elke andere stand: ongeveer 10 V |
| 11 | BLU | ATPL (STAND L VAN TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) | Detecteert signaal stand L van transmissiebereikschakelaar | In stand L: ongeveer 0 V In elke andere stand: ongeveer 10 V |
| 12 | LT GRN | ATPNP (TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR STAND VRIJ/PARKEREN) | Detecteert signaal stand Vrij/Parkeren van transmissiebereikschakelaar | In Parkeren of Vrij: ongeveer 0 V In elke andere stand: ongeveer 10 V |
| 13 | YEL | MSW (HOOFDSCHAKELAAR) | Detecteert signaal hoofdschakelaar (7SPEED MODE) | Hoofdschakelaar (7-SPEED MODUS) ingedrukt: ongeveer 0 V Hoofdschakelaar (7-SPEED MODUS) losgelaten: ongeveer 5 V |
| 15 | WHT | NDN (SNELHEIDSSENSOR VAN CVT AANGEDREVEN POELIE) | Detecteert signaal snelheidssensor aangedreven poelie CVT. | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V of ongeveer 5 V |
| 16 | GRN/YEL | SHLS- (CVT AANDRIJFPOELIE REGELKLEP-KANT) | Regelt CVT aandrijfpoelie regelklep | Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen |
| 20 | PNK | ATPD (STAND D TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) | Detecteert signaal stand D van transmissiebereikschakelaar | In stand D: ongeveer 0 V In elke andere stand: ongeveer 5 V |
| 22 | WHT/RED | VEL1 (CVT SNELHEIDSSENSOR) | Detecteert CVT snelheidssensor | Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen Als voertuig stilstaat: ongeveer 0 V of ongeveer 5 V |
OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.
| Aansluiting nummer | Draadkleur | Naam van aansluiting | Omschrijving | Signaal |
|---|---|---|---|---|
| 1 | GRN/YEL | IMO FPR (BRANDSTOFPOMPRELAIS STARTBLOKKERING) | Stuurt PGM-FI-hoofdrelais 2. | Ongeveer 0 V gedurende twee seconden nadat contactschakelaar AAN (II) is gezet, daarna accuspanning |
| 2 | WHT/RED | SHO2S (SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S, SENSOR 2) | Detecteert signaal van secundaire HO2S sensor (sensor 2). | Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: hoger dan 0,6 V Na snel sluiten van gasklep: minder dan 0,4 V |
| 3 | BRN/YEL | LG3 (LOGISCHE MASSA) | Massa voor het PCM regelcircuit | Altijd minder dan 0,1 V |
| 4 | PNK | SG3 (SENSORMASSA) | Sensormassa | Altijd minder dan 0,1 V |
| 5 | GRN/WHT | FUP (BRANDSTOFINJECTIESIGNAAL) | Zend brandstofinjectiesignaal naar instrumenteneenheid | Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen |
| 6 | BLK/WHT | SHO2SHTC (VERWARMINGSREGELING SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S)) | Stuurt secundaire HO2S verwarming aan | Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding |
| 7 | RED/YEL | MRLY (PGM-FI-HOOFDRELAIS) | Stuurt PGM-FI hoofdrelais 1 Voedingspanning voor het DTC-geheugen aan | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V Met contactschakelaar op UIT: accuspanning |
| 8 | BLU/WHT | LED A | Regelt schakel controlelampje | In 7SPEED MODE:
|
| 9 | YEL/BLK | IG1 (CONTACTSIGNAAL) | Detecteert contactsignaal | Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning Met contactschakelaar op UIT: ongeveer 0 V |
| 11 | PNK | DIND (D CONTROLELAMPJE) | Stuurt D controlelampje aan | Met controlelampje D AAN: ongeveer 6 V Met controlelampje D UIT: ongeveer 0 V |
| 12 | BLU | TAC | Detecteert signaal verdampersensor | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van temperatuur verdamper) |
| 13 | BLU/RED | SLC (REGELING SCHAKELVERGRENDELINGSSOLENOÏDE) | Stuurt schakelvergrendelingssolenoïde aan | Met contactschakelaar op AAN (II), in Parkeerstand, rempedaal ingetrapt, en gaspedaal losgelaten: ongeveer 0 V |
| 15 | GRN/RED | ELD (ELEKTRISCHE BELASTINGDETECTOR) | Detecteert ELD-signaal | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van elektrische belasting) |
OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.
| Aansluiting nummer | Draadkleur | Naam van aansluiting | Omschrijving | Signaal |
|---|---|---|---|---|
| 18 | RED | ACC (RELAIS AIRCOKOPPELING) | Stuurt relais van aircokoppeling aan | Met compressor AAN: ongeveer 0 V Met compressor UIT: accuspanning |
| 20 | GRN/BLK | LED C | Regelt schakel controlelampje | In 7SPEED MODE:
|
| 21 | RED/WHT | LED B | Regelt schakel controlelampje | In 7SPEED MODE:
|
| 22 | WHT/BLK | BKSW (REMPEDAALSTANDSCHAKELAAR) | Detecteert signaal van rempedaalstandschakelaar | Met rempedaal los: ongeveer 0 V Met rempedaal ingedrukt: accuspanning |
| 23 | RED/WHT | K-LIJN | Verstuurt en ontvangt signaal van HDS of scanapparaat. | Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning |
| 24 | GRN | MTRTW | Verstuurt signaal motorkoelvloeistoftemperatuur | Met contactschakelaar op AAN (II): puls |
| 25 | BLU/YEL | VSSOUT (UTGANGSSIGNAAL VAN SENSOR VOERTUIGSNELHEID) | Verstuurt signaal voertuigsnelheidssensor | Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen |
| 26 | BLU | NEP (MOTORTOERENTALPULS) | Geeft motortoerentalpuls | Met draaiende motor: pulsen |
| 27 | RED/BLU | IMOCD (STARTBLOKKERINGSCODE) | Detecteert startblokkeringssignaal | |
| 28 | BLU/WHT | ACS (AIRCOSCHAKELAARSIGNAAL) | Detecteert aircoschakelaarsignaal | Met aircoschakelaar AAN: ongeveer 0 V Met aircoschakelaar UIT: ongeveer 5 V |
| 29 | BRN | SCS (DIAGNOSESIGNAAL) | Detecteert het diagnosesignaal | Met het servicecontrolesignaal kortgesloten met de HDS of het scanapparaat: ongeveer 0 V Bij draadbreuk in het diagnosesignaal: ongeveer 5 V |
| 30 | RED/BLU | WEN (SIGNAAL VOOR INSCHAKELEN SCHRIJVEN) | Detecteert signaal voor inschakelen schrijven | Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V |
| 31 | GRN/ORN | MIL (DEFECTSIGNALERINGSLAMPJE) | Stuurt MIL | Met MIL AAN: ongeveer 0 V Met MIL UIT: accuspanning |
L13A6-motortype
L13A6-motortype
De CMP-sensor (TDC) detecteert de stand van cilinder nr. 1 als referentiewaarde voor de volgorde van de brandstofinspuiting voor elke cilinder.
De CKP-sensor bepaalt het motortoerental en stelt het ontstekingstijdstip en het tijdstip van de brandstofinjectie in elke cilinder vast.
De ECT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de motorkoelvloeistof toeneemt.
De PCM regelt de afstand in ontstekingsfase tussen de voorste en de achterste bougies in overeenstemming met het motortoerental en de onderdruk in het inlaatspruitstuk.
De IAT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de inlaatlucht toeneemt.
De pingelregeling stelt de ontstekingstijd zodanig bij dat pingelen tot een minimum wordt beperkt.
De MAP-sensor zet de absolute luchtdruk in het inlaatspruitstuk om in een elektrisch signaal naar de PCM.
De primaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen en zendt vervolgens signalen naar de PCM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De primaire zuurstofsensor (HO2S) is ingebouwd in het uitlaatspruitstuk. Doordat de lucht/brandstofverhouding via primaire HO2S en secundaire HO2S wordt afgeregeld, kan de achteruitgang van de primaire HO2S worden gecontroleerd volgens de terugkoppelingsperiode. Wanneer de terugkoppelingsperiode tijdens stabiele rijcondities een bepaalde waarde overstijgt, wordt de sensor beschouwd als zijnde verslechterd en activeert de PCM een storingscode.
De secundaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen achter de driewegkatalysator (TWC) en zendt vervolgens signalen naar de PCM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De secundaire HO2S is gemonteerd in de driewegkatalysator.
De TP-sensor is een potentiometer die is verbonden met de as van de gasklep. Naarmate de gasklepstand varieert, wijzigt de sensor de signaalspanning naar de PCM. De TP-sensor kan niet los van het gasklephuis worden vervangen.
Om het juiste stationaire toerental te handhaven past de IAC-klep de hoeveelheid lucht aan die om het gasklephuis heengeleid wordt, als reactie op een elektrisch signaal van de PCM.
Het gasklephuis is van het enkelvoudige vlakstroomtype. Het onderste gedeelte van de IAC-klep wordt verwarmd door motorkoelvloeistof die vanaf de cilinderkop wordt aangevoerd.
De TWC zet koolstoffen (HC), koolmonoxide (CO) en stikstofoxiden (NOx) in de uitlaatgassen om in kooldioxide (CO2), stikstofdioxide (N2) en waterdamp.
De PCV-klep voorkomt dat cartergassen vrijkomen in de atmosfeer door ze in het inlaatspruitstuk uit te blazen.
Dit systeem voorziet diverse motorfuncties van lucht. Een resonantiekamer in de inlaataanzuigbuis zorgt voor extra geluiddemping als lucht in het systeem wordt gezogen.
Het EGR systeem reduceert emissie van stikstofoxiden (NOx) door uitlaatgas te recirculeren via de EGR-klep en het inlaatspruitstuk in de verbrandingskamers. Het PCM-geheugen bevat de ideale stand van de EGR-klep voor verschillende bedrijfsomstandigheden.
De EGR-klepstandsensor detecteert de mate van opening van de EGR-klep en stuurt deze informatie naar de PCM. De PCM vergelijkt deze vervolgens met de ideale opening in haar geheugen (op basis van signalen ontvangen van andere sensors). Als er verschil tussen deze twee waarden is, sluit de PCM de stroom naar de EGR-klep af.
Het regelsysteem voor benzinedampafvoer zorgt dat er zo min mogelijk benzinedamp ontsnapt naar de buitenlucht. De dampen in de benzinetank worden tijdelijk opgeslagen in de EVAP-filterbus tot ze vanuit de bus kunnen worden aangezogen naar de motor en daar worden verbrand.