SRS systeembeschrijving
SRS-onderdelen
Airbags
SRS is een veiligheidsinrichting die, indien gebruikt in combinatie met de veiligheidsriem, ontworpen is om te helpen de bestuurder en de voorpassagier te beschermen bij een frontale aanrijding waarbij een bepaalde ingestelde grens wordt overschreden. Het systeem bestaat uit de SRS-eenheid, inclusief safing-sensor en botsingssensor (A), de kabelhaspel (B), de bestuurdersairbag (C), de voorpassagiersairbag (D), zijairbags (E), gordelspanners (I), en buitenste heupgordelspanners (J) en frontale botsingssensors (K).
Zijairbags
De zijairbags (E) bevinden zich in de rugleuning van elke voorstoel. Ze helpen het bovenlichaam van de bestuurder of de voorpassagier te beschermen tijdens een gematigde tot zware zijdelingse botsing. Zijdelingse botsingsensors (L) in elke dorpel en in de SRS-eenheid detecteren een dergelijke botsing en blazen de bestuurders- of de voorpassagierszijairbag onmiddellijk op. Slechts één zijairbag zal bij een zijdelingse aanrijding worden opgeblazen. Als de botsing aan de kant van de passagier plaatsvindt, wordt de passagierszijairbag opgeblazen, ook als er geen passagier zit.
Gordelspanners/voorspanners van buitenste heupgordels
De gordelspanners zijn verbonden met de SRS airbags om de veiligheidsriem nog efficiënter te maken. In een kop-staartbotsing zullen de gordelspanners de riem onmiddellijk stevig aantrekken om de inzittenden op hun stoel vast te houden.
SRS-werking
De hoofdstroomkring in de SRS-eenheid registreert en beoordeelt de kracht van de aanrijding en ontsteekt, indien nodig, het opblaasmechanisme. Als de accuspanning te laag is of als door de aanrijding de stroom is afgesneden, wordt de spanning op een constant niveau gehouden door de spanningsregelaar en de reservestroomkring.
Het SRS functioneert onder de volgende voorwaarden
Zijairbag(s) van bestuurder en voorpassagier
(1) De frontale botsingsensor moet geactiveerd worden en elektrische signalen naar de microprocessor sturen.
(2) De microprocessor moet de signalen berekenen en afhankelijk van de zwaarte van de botsing en of de schakelaar van de voorspanner van de veiligheidsriem AAN of UIT staat, worden de juiste signalen naar het opblaasmechanisme(n) van de airbag gestuurd.
(3) De opblaasmechanismen die signalen ontvangen hebben, moeten ontsteken en de airbag(s) opblazen.
Zijairbag(s)
(1) De zijdelingse botsingsensor moet geactiveerd worden en elektrische signalen naar de microprocessor sturen.
(2) De microprocessor moet de signalen berekenen en ze naar het opblaasmechanisme(n) van de zijairbag sturen. De microprocessor schakelt echter de signalen naar de voorpassagierszijairbag uit als de SRS-eenheid vaststelt dat het hoofd van de voorpassagier zich in het werkingsgebied van de zijairbag bevindt.
(3) Het opblaasmechanisme dat het signaal ontvangt, moet aanspringen en de zijairbag opblazen.
Zelfdiagnosesysteem
In de SRS-eenheid zit een zelfdiagnose circuit ingebouwd; als de contactschakelaar AAN (II) wordt gezet, gaat het SRS-controlelampje aan en dit gaat na ongeveer 6 seconden weer uit als het systeem normaal werkt.
Als het lampje niet aangaat of niet uitgaat na 6 seconden, of als het aangaat onder het rijden, wijst dit op een afwijking in het systeem. Het systeem moeten worden geïnspecteerd en zo snel mogelijk gerepareerd.
Om het onderhoud te vergemakkelijken slaat de SRS-eenheid een DTC op in het geheugen die verband houdt met de oorzaak van de storing en wordt de eenheid aangesloten op de datalinkstekker (DLC). Die informatie kan worden gelezen met de HDS als die is aangesloten op de DLC (16P).