| 1. | Maak het toegangspaneel in de bodem los en verwijder het. |
| 2. | Maak de aanzuigslang (A) los van de brandstofpomp en sluit een vacuümpomp (B) aan.
|
| 3. | Start de motor en controleer de onderdruk. Is er onderdruk? JA - Ga naar 4. NEE - Vervang het brandstoffilter.n |
| 4. | Zet de contactschakelaar UIT. |
| 5. | Sluit een vacuümpomp (A) aan op de aanzuigslang en zet onderdruk op de slang (B).
Blijft de onderdruk gehandhaafd? JA -
NEE - Ga naar 6. |
| 6. | Maak de beluchtingslang (A) los van de vulzijde van de driewegkoppeling (B) en zet een rubber dop (C) op de driewegkoppeling.
|
| 7. | Sluit een vacuümpomp (A) aan op de aanzuigslang en zet onderdruk op de slang (B).
Blijft de onderdruk gehandhaafd? JA - Controleer op blokkering tussen driewegkoppeling en de damp-vloeistofscheidingsklep in de brandstoftankontluchtingsleiding. Is de leiding in orde, vervang dan de brandstoftank.n NEE - Ga naar 8. |
| 8. | Sluit een vacuümpomp (A) aan op de beluchtingsslang (B) aan de vulzijde en breng onderdruk aan.
Blijft de onderdruk gehandhaafd? JA - Controleer op blokkering tussen de driewegkoppeling en de vulpijpnek op de ontluchtingsleiding.n NEE - Ga naar 9. |
| 9. | Verwijder de rubber dop van de driewegkoppeling en sluit de beluchtingsslang opnieuw aan op de driewegkoppeling. |
| 10. | Sluit een vacuümpomp (A) aan op de aanzuigslang (B) en zet luchtdruk op de slang.
Blijft de druk gehandhaafd? JA - De ontluchtingsleiding en de aanzuigleiding zijn in orde.n NEE -
|