ABS systeembeschrijving (Zonder VSA)

ABS systeembeschrijving

ABS-regeleenheid, invoer en uitvoer voor 25-pins stekkerverbinding

 

Aansluiting nummer Draadkleur Aansluitingsteken (Aansluitingsnaam) Omschrijving Meting (Maak de
25-pins stekker van de ABS-regeleenheid los) 
Aansluitingen Voorwaarden Spanning 
BRN/WHT FL -GND Detecteert signaal van wielsensor links voor 
——— 

——— 

——— 
BLU/ORN FL +B 
YEL IG1 Voeding voor activering van het systeem 4- GND Contactschakelaar op AAN (II) Accuspanning 
GRY/
RED 
RL -GND Detecteert signaal van wielsensor links achter 
——— 

——— 

——— 
YEL/
RED 
RL +B 
BLU/
RED 
WALP Stuurt ABS-controlelampje aan 7 -GND ABS-controlelampje (Contactschakelaar AAN (II)) AAN Ongeveer 6 V 
UIT Onder
0,3 V 
BLK GND1 Massa ——— ——— ——— 
WHT/
GRN 
FSR + B Voeding voor het ABS fail-safe relais 9- GND Iedere keer Accuspanning 
13 GRY DLC Communiceert met de Honda PGM-tester 
——— 

——— 

——— 
14 BRN SCS Gebruiken voor DTC-indicatie en wissen van DTC 
——— 

——— 

——— 
15 BLU/
WHT 
VABS Geeft uitvoersignaal wieltoerental ——— ——— ——— 
16 BRN/
YEL 
EBD Stuurt remsysteemcontrolelampje aan 16 -GND Parkeerrem AAN Onder
0,3 V 
UIT Accuspanning 

Aansluiting nummer Draadkleur Aansluitingsteken (Aansluitingsnaam) Omschrijving Meting (Maak de 25-pins stekker van de ABS-regeleenheid los) 
Aansluitingen Voorwaarden Spanning 
18 WHT/
BLK 
STOP Detecteert remschakelaarsignaal 18-GND Rempedaal Ingedrukt Accuspanning 
Vrij Onder
0,3 V 
19 BLU FR -GND Detecteert signaal van wielsensors rechts-voor 
——— 

——— 

——— 
20 GRN/
BLK 
FR +B 
22 GRN/
YEL 
RR +B Detecteert signaal van wielsensors rechts-voor 
——— 

——— 

——— 
23 BLU/
YEL 
RR - GND 
24 BLK GND2 Massa ——— ——— ——— 
25 WHT/
RED 
MR +B Voeding voor het motorrelais 25-GND Iedere keer Accuspanning 

Functies


Als het rempedaal tijdens het rijden wordt ingedrukt, kunnen de wielen blokkeren vóórdat het voertuig tot stilstand komt. Als de voorwielen geblokkeerd zijn, is het voertuig minder goed onder controle te houden en zal bij blokkering van de achterwielen de stabiliteit van het voertuig worden verminderd, waardoor er een bijzonder gevaarlijke situatie ontstaat. Het ABS regelt zeer nauwkeurig de mate van wielslip om ervoor te zorgen dat de banden maximaal grip hebben, waarmee de bestuurbaarheid en stabiliteit van het voertuig wordt verzekerd.
Het ABS berekent de mate van wielslip op basis van de voertuigsnelheid en het wieltoerental, en regelt vervolgens de remvloeistofdruk zodat de beoogde mate van slippen wordt gerealiseerd.

Gripkracht van banden in combinatie met wegoppervlak 

ONDERDELEN HOOFDFUNCTIE 
Wielsensor De wielsensor geeft het wieltoerentalsignaal door aan de ABS-regeleenheid in overeenstemming met de rotatiesnelheid van de pulsgever. 
Modulator- regel eenheid ABS-regeleenheid De ABS-regeleenheid verwerkt het signaal van de wielsensor, en geeft dan het ABS-regelsignaal door aan de modulator. 
Modulator De modulator ontvangt het regelsignaal en regelt vervolgens voor ieder wiel afzonderlijk de vloeistofdruk van de remvloeistof. 
Motorrelais (binnenin de ABS-regeleenheid) Het motorrelais stuurt de ABS-pompmotor aan. 
ABS fail-safe relais (binnenin de ABS-regeleenheid) Het ABS fail-safe relais sluit de voeding naar de elektromagnetische klep af als er een storing wordt gedetecteerd. 




 

ABS-regeleenheid


Hoofdregeling

De ABS-regeleenheid detecteert het wieltoerental op basis van het signaal dat de eenheid van de wielsensor ontvangt en berekent vervolgens de snelheid van het voertuig op basis van het waargenomen wieltoerental. De regeleenheid detecteert de voertuigsnelheid tijdens vertraging op basis van de mate van vertraging.

De ABS-regeleenheid berekent de mate van slip van ieder wiel en stuurt het regelsignaal naar de elektromagnetische regelklep van de modulatoreenheid als de mate van slip te hoog is.

De drukverminderingsregeling heeft drie standen: drukvermindering, drukbehoud en drukverhoging.

 


Regeling elektronische remkrachtverdeling (EBD)


De EBD-functie helpt bij het regelen van de remkracht door de remkracht op de achterwielen bij te stellen vóórdat het ABS in werking treedt. Op basis van wielsensorsignalen gebruikt de ABS-regeleenheid de modulator om de achterremmen afzonderlijk te regelen. Als de draaisnelheid van de achterwielen kleiner is dan die van de voorwielen, houdt de ABS-regeleenheid de op dat moment aanwezige remvloeistofdruk in stand door de inlaatklep in de modulator te sluiten. Als de draaisnelheid van de achterwielen toeneemt en die van de voorwielen benadert, verhoogt de regeleenheid de remvloeistofdruk in de achterremmen door kortstondig de inlaatklep te openen. Dit hele proces herhaalt zich in een zeer hoog tempo. Als dit gebeurt, is er tegendruk op het rempedaal.

Indien de ABS-regeleenheid tijdens de zelfdiagnose een probleem waarneemt dat van invloed is op de EBD, schakelt deze het controlelampje van het remsysteem en het ABS-controlelampje in.

Zelfdiagnosefunctie

1.De ABS-regeleenheid is uitgerust met een hoofdprocessor (CPU) en een hulpprocessor (sub-CPU). Iedere CPU controleert de andere op storingen.

2.De CPU's controleren de stroomkring van het systeem.

3.De ABS-regeleenheid schakelt het ABS-controlelampje aan als de eenheid een storing detecteert en stopt het systeem.

4.De zelfdiagnose kan worden onderverdeeld in twee categorieën:
  • Startdiagnose
  • Normale diagnose

Boorddiagnosefunctie

De ABS kan worden onderzocht met de Honda PGM-tester.
Het ALB-controleapparaat kan bij dit systeem niet worden gebruikt. Voor het ontluchten en controleren van de signalen van de wielsensors gebruikt u de Honda PGM-tester. Zie de gebruikershandleiding van de Honda PGM-tester voor specifieke aanwijzingen.

ABS-modulator


De ABS-modulator bestaat uit een elektromagnetische inlaatklep, elektromagnetische uitlaatklep, reservoir, pomp en de pompmotor. De modulator vermindert rechtstreeks de vloeistofdruk in de remklauw. Het is een modulator van het rondpomptype aangezien de remvloeistof door de remklauw, het reservoir en de hoofdcilinder circuleert. De hydraulische regeling heeft drie standen: drukverhoging, drukbehoud en drukvermindering. Het hydraulische circuit is een onafhankelijk vierkanaalstype met voor ieder wiel een kanaal.

 

Stand drukverhoging: Inlaatklep open, uitlaatklep gesloten.
Vloeistof uit hoofdcilinder wordt naar buiten naar de remklauw gepompt.
 
Stand drukbehoud: Inlaatklep gesloten, uitlaatklep gesloten.
Vloeistof in de remklauw wordt vastgehouden door de inlaatklep en de uitlaatklep.
 
Stand drukvermindering: Inlaatklep gesloten, uitlaatklep open.
Vloeistof uit de remklauw stroomt via de uitlaatklep naar het reservoir.
 
Motor in bedrijfsmodus: Bij aanvang van de modus druk verminderen is de pompmotor AAN.
Wanneer het ABS wordt gestopt, is de pompmotor UIT.
De vloeistof wordt door de pomp uit het reservoir gepompt en via de dempingkamer naar de hoofdcilinder geleid. 

Wielsensors


De wielsensors zijn van het magnetisch contactloze type. Als de tandwiel pulsgevertanden langs de magnetische spoel van de wielsensor bewegen, wordt er een wisselstroom opgewekt. De frequentie van de wisselstroom is afhankelijk van het wieltoerental. De ABS-regeleenheid detecteert de frequentie van het wielsensorsignaal en daarmee het wieltoerental (en de radiale snelheid van het wiel).

 


Wieltoerental en modulaire regeling

 

Als het wieltoerental snel afneemt en de radiale snelheid lager wordt dan de voertuigsnelheid, gaat de uitlaatklep kortstondig open om de vloeistofdruk in de remklauw te verminderen. Op dat moment start de pompmotor. Als het wieltoerental hersteld is, gaat de inlaatklep even open om de vloeistofdruk in de remklauw te verhogen.