| 1. | Als het [D] controlelampje of het MIL aan is gegaan, controleer op een DTC, en repareer het systeem zoals door de DTC word aangeven. |
| 2. | Als het [D] controlelampje niet gaat branden, en het controlelampje van de A/T schakelstand niet gaat branden, de metereenheid uit het dashboard verwijderen, en maak de metereenheid stekkers A (20P) en B (14P) los. |
| 3. | Inspecteer de stekkers en stekkeraansluitingen om er zeker van te zijn dat ze goed contact maken. |
| 4. | Indien nodig de uiteinden repareren als deze verbogen, los of geroest zijn, en controleer het systeem opnieuw. |
| 5. | Schakel naar de [P] stand, en controleer op doorverbinding tussen de B14 aansluiting (BLU/BLK) en de massa. Er moet doorverbinding in de [P] stand zijn en geen doorverbinding in elke andere stand van de schakelhendel. Als de testresultaten afwijken, controleren op een defecte transmissiebereikschakelaar of een draadbreuk.
|
| 6. | Zet de contactschakelaar AAN (II), en schakel naar de [R] stand met het rempedaal ingedrukt. Controleer op spanning tussen de B13 aansluiting (WHT) en de massa. Er zou 0 V in de [R] stand, en ongeveer 10 V in elke andere stand gemeten moeten worden. Als de testresultaten afwijken, controleren op een defecte transmissiebereikschakelaar of een draadbreuk. |
| 7. | Schakel naar de [N] stand, en controleer op doorverbinding tussen de B12 aansluiting (RED/BLK) en de massa. Er zou doorverbinding in de [N] stand, en geen doorverbinding in elke andere stand moeten zijn. Als de testresultaten afwijken, controleren op een defecte transmissiebereikschakelaar of een draadbreuk. |
| 8. | Schakel naar de [D] stand, en controleer op spanning tussen de B9 aansluiting (PNK) en de massa. Er zou accuspanning in de [D] stand, en 0 V in elke andere stand moeten zijn. Als de testresultaten afwijken, controleren een defecte transmissiebereikschakelaar en PCM, of een draadbreuk. |
| 9. | Schakel naar de [S] stand, en controleer op spanning tussen de B8 aansluiting (BLU/WHT) en de massa. Er zou 0 V in de [S] stand, en ongeveer 10 V in elke andere stand moeten zijn. Als de testresultaten afwijken, controleren op een defecte transmissiebereikschakelaar of een draadbreuk. |
| 10. | Schakel naar de [L] stand, en controleer op spanning tussen de B10 aansluiting (BLU) en de massa. Er zou 0 V in de [L] stand, en ongeveer 10 V in elke andere stand moeten zijn. Als de testresultaten afwijken, controleren op een defecte transmissiebereikschakelaar of een draadbreuk. |
| 11. | Controleer op spanning tussen de A2 aansluiting (YEL) en massa. Er moet accuspanning zijn. Als het testresultaat afwijkt, controleren op een doorgebrande nr. 16 (7,5A) zekering in de zekeringen-/relaiskast onder het dashboard of op een draadbreuk.
|
| 12. | Controleer op doorverbinding tussen de A9 aansluiting (BLK) en massa. Er moet onder alle omstandigheden doorverbinding zijn. Als het testresultaat afwijkt, controleren op een slechte massa (G501) of een draadbreuk. |
| 13. | Als een ingangssignaaltest in orde blijkt te zijn, maar het controlelampje defect is, de instrumenteneenheid vervangen. |