| 1. | Inspecteer de binnenzijde van elke synchromeshring (A) op slijtage.
|
| 2. | Inspecteer de vertanding (B) van elke synchromeshring op slijtage (ronde afslijting). |
| 3. | Inspecteer de tanden (C) van elke schakelmof en de bijbehorende vertanding op elk tandwiel (ronde afslijting). |
| 4. | Inspecteer het drukvlak (D) van elke tandwielnaaf op slijtage. |
| 5. | Inspecteer het conisch vlak (E) van elke tandwielnaaf op slijtage en ruwheid. |
| 6. | Inspecteer de vertanding op alle tandwielen (F) op ongelijkmatige afslijting, groeven, schaafplekken en scheurvorming. |
| 7. | Smeer het conisch vlak van elk tandwiel (E) in met olie en breng dan de bijbehorende synchromeshring aan. Draai de synchromeshring rond om te controleren dat deze niet slipt. |
| 8. | Meet de speling tussen de synchromeshring (B) en elk tandwiel (A) rondom. Hou de synchromeshring gelijkmatig tegen het tandwiel om de speling te meten. Vervang de synchromeshring en het tandwiel als de speling onder de slijtagegrens ligt.
|