| 1. | Meet de speling tussen elke schakelvork (A) en de bijbehorende schakelmof (B). Ga verder naar 2 als de speling buiten de slijtagegrens valt.
|
| 2. | Meet de dikte van de schakelvork (A) vingers.
| ||||||
| 3. | Meet de speling tussen de schakelvorken (A) en de schakelarm (B). Ga verder naar 4 als de speling buiten de slijtagegrens valt.
|
| 4. | Meet de breedte van de schakelarm (A)
|