| 3. | Test de acculaadcapaciteit door een accutester aan te sluiten en een belasting van driemaal de ampère/uur capaciteit van de accu te geven. Geef een belasting precies 15 seconden lang. De accuspanning moet boven de 9,6 V blijven.
- Als de spanning boven de 9,6 V blijft, is de accu in orde; reinig de aansluitklemmen en het huis, en plaats hem terug in de auto.
- Als de meter tussen 6,5 en 9,6 V aangeeft, een acculader aansluiten en accu gedurende 3 minuten opladen met een beginsterkte van 40 ampère.
 | Amperage daalt naarmate het voltage stijgt; het amperage niet verhogen om dit te compenseren, want hierdoor kan de accu beschadigd worden.
|
- Bekijk tijdens de volle 3 minuten de accuspanning; de hoogste meting moet onder de 15,5 V blijven.
- Als de meting onder de 15,5 V blijft, is de accu in orde; reinig de aansluitklemmen en het huis, en plaats hem terug in de auto.
- Als de spanning in deze 3 minuten snelladen een keer boven de 15,5 V uitkomt, is de accu niet meer goed; vervang de accu.
- Als de spanning onder de 6,5 V daalt, de accu langzaam laden door een acculader aan te sluiten en niet langer dan 24 uur laden met 5 ampère (of tot de indicator volledige lading aangeeft, of het soortelijk gewicht van de elektrolyt ten minste 1,270 bedraagt).
Test daarna de laadcapaciteit nogmaals.
- Als de spanning boven de 9,6 V blijft, is de accu in orde; reinig de aansluitklemmen en het huis, en plaats hem terug in de auto.
- Als de spanning nog steeds onder de 6,5 V daalt, is de accu niet meer goed: vervang de accu.
|