Storingzoeken in het navigatiesysteem
Algemene werking
Raadpleeg de gebruikershandleiding van het Honda Navigatiesysteem voor informatie over de bedieningsprocedures van het Honda navigatiesysteem.
Antidiefstal voorziening
Het navigatiesysteem is uitgerust met een circuit voor diefstalpreventie dat met een code is beveiligd. Controleer of u de 5-cijferige beveiligingscode van de klant hebt voor;
- de accu los te koppelen;
- de stekker van de navigatie-eenheid los te trekken;
- of zekering nr. 8 (15 A) uit de zekering/relaiskast onder het dashboard aan de passagierskant te halen.
Sluit na het onderhoud de stroomvoorziening van de navigatie-eenheid weer aan en zet de contactschakelaar op AAN (II). Voer de 5-cijferige beveiligingscode in.
Vergeet niet na het vervangen van de navigatie-eenheid de nieuwe beveiligingscode aan de klant te geven.
Storingsdiagnose
Bepaalde omstandigheden en systeembeperkingen zullen er de oorzaak van zijn dat af en toe een foutieve voertuigpositie wordt berekend. Het is mogelijk dat sommige klanten denken dat er dus een probleem met het navigatiesysteem is, terwijl het systeem normaal werkt. Denk aan de volgende punten wanneer u klanten vraagt naar storingen in het navigatiesysteem.
Navigatiebeperkingen door eigen traagheid
De beperkingen van het eigen-traagheidsgedeelte van het navigatiesysteem (de giersnelheidssensor en het voertuigsnelheidssignaal) kunnen enig verschil veroorzaken tussen de werkelijke positie van het voertuig en de aangegeven positie (GPS-voertuigpositie). Als echter de GPS-signalen niet kunnen worden ontvangen, moet u de voertuigpositie handmatig instellen.
De volgende omstandigheden kunnen de oorzaak zijn van foutieve voertuigposities:
- Transporteren van het voertuig terwijl de motor uit staat, zoals op een veerboot of achter een sleepwagen, of terwijl het voertuig wordt gedraaid, zoals op het draaiplateau van een parkeergarage.
- Bandenslip, verandering van de wieldiameter, en bepaalde rijomstandigheden kunnen verschillen veroorzaken in rijafstanden. Voorbeelden hiervan zijn:
- Voortdurend slippen van de banden op een glad wegdek;
- Rijden met sneeuwkettingen;
- Abnormale bandspanning;
- Onjuiste bandmaat;
- Veelvuldig wisselen van rijstrook op een brede weg;
- Voortdurend rijden op een rechte of flauw gebogen weg.
- Toleranties van het systeem en de onnauwkeurigheden in de kaarten beperken soms de nauwkeurigheid waarmee het voertuigpositie wordt aangegeven. Voorbeelden hiervan zijn:
- Rijden op wegen die niet op de kaart staan (vergelijking met de kaart is niet mogelijk);
- Het rijden op een weg die een bocht in een bepaalde richting maakt, zoals een lusvormige brug, een klaverbladknooppunt of een spiraalvormige parkeergarage
- Rijden op een weg met een reeks scherpe haarspeldbochten;
- Rijden op één van twee dicht bij elkaar liggende parallelwegen;
- Na het draaien van vele hoeken van 90 graden.
Beperkingen van het Global Positioning System (GPS)
Het GPS kan de positie van het voertuig niet bepalen in de volgende gevallen:
- Tijdens de eerste vijf tot tien minuten nadat de accu weer is aangesloten;
- Als de satellietsignalen worden geblokkeerd door hoge gebouwen, bergen, tunnels, hoge bomen of grote vrachtwagens;
- Als de GPS-antenne wordt geblokkeerd door een voorwerp op het dashboard;
- Als er geen satellietsignaaluitvoer is (de satellietsignaaluitvoer wordt soms onderbroken vanwege onderhoud aan de satelliet);
- Als de satellietsignalen worden gestoord door de bediening van een later aangeschaft elektronisch accessoire.
De nauwkeurigheid van het GPS neemt af onder de volgende omstandigheden:
- Als slechts twee satellietsignalen kunnen worden ontvangen (drie satellietsignalen zijn vereist voor een nauwkeurige positionering);
- Als een storing optreedt in de satellietbesturingscentra.
Beperkingen van de LCD-display-eenheid
- Bij lage temperaturen kan het display gedurende de eerste twee of drie minuten donker blijven totdat het is opgewarmd.
- Als het display te heet is als gevolg van direct zonlicht in de zomer, zal het donker blijven tot de temperatuur daalt.
- Wanneer de relatieve luchtvochtigheid hoog is en de temperatuur binnenin het voertuig laag is, kan het display wazig zijn. Het display zal na enig gebruik weer helder worden.
Nabootsen van het optreden van storingen
- Als de storing kan worden opgeroepen, de procedures voor zelfdiagnose (beelddiagnosefunctie) en de van toepassing zijnde procedures voor storingzoeken uitvoeren.
- Als de storing niet opnieuw optreedt of slechts af en toe opnieuw optreedt, vraagt u de klant naar de omstandigheden waaronder de storing optreedt.
- Probeer te achterhalen of storing van buitenaf de oorzaak kan zijn geweest.
- Probeer de storing na te bootsen onder dezelfde omstandigheden waaronder die bij de klant optrad.
- Trillingen, extreme temperaturen en vocht (dauw, luchtvochtigheid) zijn factoren die moeilijk na te bootsen zijn.
Voorzorgsmaatregelen bij onderhoud
- Alvorens de accu los te koppelen, controleren of u de antidiefstalcodes van de radio en het navigatiesysteem hebt, en noteer de frequenties van de voorkeurtoetsen van de radio.
- Na het onderhoud parkeert u het voertuig op een plaats waar de satellietsignalen niet geblokkeerd worden, en controleert u de satellietindicator op het display.
- Als de accu is losgemaakt, wordt de klok terug gezet op ’’0:00''. De klok zal automatisch op de juiste tijd worden ingesteld nadat het systeem weer de GPS-satellietsignalen ontvangt.
- Na het weer aansluiten van de accu, even wachten op het eerste signaal van de satelliet. Dit duurt ongeveer tien minuten.