| 1. | Controleer de remslangen op beschadiging, slijtage, lekkage, klem zitten en verdraaien. |
| 2. | Controleer de remleidingen op schade, roest en lekkage. Controleer de remleidingen ook op verbuigingen. |
| 3. | Controleer op lekkage bij de slang- en leidingverbindingen of -aansluitingen. Draai deze zonodig weer aan. |
| 4. | Controleer de hoofdcilinder en ABS modulator (indien aanwezig) op schade en lekkage. OPMERKING: Vervang de remslangklem als er onderhoud aan de remslang plaats vindt.
|