Voorzorgsmaatregelen bij onderhoud
Algemeen
 |
Neem alle voorzorgsmaatregelen en meldingen in acht tijdens de werkzaamheden.
|
- Bescherm alle gelakte oppervlakken en stoelen tegen vuil en krassen met een schone doek of een vinyl hoes.
- Werk veilig en zorg dat u uw volledige aandacht bij de werkzaamheden houdt. Als de voorwielen of de achterwielen omhoog moeten worden gebracht, de overige wielen stevig blokkeren. Als het werk door twee of meer personen wordt uitgevoerd, zorg dan dat er op regelmatige basis wordt gecommuniceerd. Laat de motor niet draaien, tenzij de werkplaats goed is geventileerd.
- Voordat onderdelen worden verwijderd of uitgebouwd moeten ze zorgvuldig worden geïnspecteerd, zodat de oorzaak waarvoor de reparatie moet worden uitgevoerd wordt gevonden. Neem alle veiligheidsmededelingen en voorzorgsmaatregelen in acht en volg de juiste procedures zoals in deze handleiding wordt beschreven.
- Markeer alle verwijderde onderdelen of plaats ze in volgorde in een onderdelenrek, zodat ze weer op hun oorspronkelijke plaats kunnen worden gemonteerd.
- Gebruik, waar nodig, speciaal gereedschap.
- Onderdelen moeten met het juiste aanhaalmoment worden gemonteerd in overeenstemming met de vastgestelde onderhoudsnormen.
- Bij het vastzetten van een aantal bouten of moeren, beginnen met de middelste bouten of de bouten met een grote diameter en draai ze in twee of meer stappen in een kruislings patroon aan.
- Gebruik nieuw afdichtmiddel, pakkingen, O-ringen en splitpennen bij het opnieuw assembleren.
- Gebruik onderdelen die moeten worden vervangen niet opnieuw. Ze moeten altijd vervangen worden.
- Gebruik originele HONDA onderdelen en smeermiddelen of gelijksoortige onderdelen of smeermiddelen. Als onderdelen opnieuw moeten worden gebruikt, moeten ze goed worden nagekeken, zodat men zeker is dat ze niet beschadigd of in slechte staat zijn en dat ze zonder problemen opnieuw kunnen worden gebruikt.
- Remvloeistof en hydraulische onderdelen
- Als u het systeem bijvult, moet u bijzonder zorgvuldig zijn zodat er geen vuil en stof in het systeem komt.
- Meng verschillende soorten vloeistof niet door elkaar, omdat niet alle vloeistoffen goed samengaan.
- Gebruik afgetapte remvloeistof niet opnieuw.
- Omdat remvloeistof beschadiging kan veroorzaken aan lak- en harsoppervlakken, moet men uiterst voorzichtig zijn dat dit niet op dergelijke materialen wordt gemorst. Als per ongeluk toch wordt gemorst, dit direct afspoelen met water of warm water van de lak- en harsoppervlakken af.
- Als de remslangen of pijpen zijn losgemaakt, moet u zorgen dat de openingen worden afgedicht zodat er geen remvloeistof wegloopt.
- Reinig alle gedemonteerde onderdelen alleen in schone REMVLOEISTOF. Blaas alle gaten en doorgangen met perslucht door.
- Zorg dat gedemonteerde onderdelen niet in contact komen met stof en schuurmiddelen in de lucht.
- Controleer of de onderdelen schoon zijn voordat ze opnieuw worden gemonteerd.
- Vermijd dat olie of vet op rubberonderdelen en -slangen komt, tenzij dit is gespecificeerd.
- Controleer bij de montage, of alle onderdelen juist zijn geïnstalleerd en goed werken.
Informatie voor probleemoplossing op elektrisch gebied
Vóór het storingzoeken
| 1. | Controleer de betreffende zekeringen in het juiste zekeringen-/relaiskastje.
|
| 2. | Controleer de accu op beschadiging, de laadtoestand, en reinig en zet de klemmen goed vast.

- Een accu niet snelladen tenzij de massakabel van de accu is losgekoppeld. Anders beschadigt u de diodes van de dynamo.
- Probeer de motor niet te starten als de massakabel van de accu niet goed is vastgezet; zo zou u de bedrading ernstig kunnen beschadigen.
|
| 3. | Controleer de spanning van de dynamoriem.
|
Werken met stekkers
- Zorg dat de stekkers schoon zijn en er geen draadklemmen los liggen.
- Zorg dat meervoudige stekkerholtes zijn ingevet (met uitzondering van waterdichte stekkers).
- Alle stekkers hebben een vergrendeling die kan worden losgemaakt door hem naar beneden te drukken (A).
- Sommige stekkers hebben een klem aan de zijkant, die wordt gebruikt om ze aan een bevestigingsbeugel aan de carrosserie of een ander onderdeel te bevestigen. Deze klem heeft een trek-type vergrendeling.
- Sommige gemonteerde stekkers kunnen niet worden losgemaakt zonder dat u eerst de vergrendeling opent en de stekker vervolgens uit zijn montagesteun (A) verwijdert.
- Probeer nooit om stekkers los te maken door aan de draden te trekken; trek in plaats daarvan aan de stekkerhelften zelf.
- Plaats altijd weer plastic kapjes terug.
- Voor u een stekker aansluit, controleren of de klemmen (A) op hun plaats zijn en niet gebogen zijn.
- Controleer of de klem (A) en rubber afdichtringen (B) goed vast zitten.
- De achterkant van sommige stekkers zijn ingevet. Voeg indien nodig vet toe. Vuil vet vervangen.
- Steek de stekker volledig in en zorg dat hij goed op zijn plaats blijft zitten.
- Plaats draden zo dat de open zijde van het kapje omlaag wijst.
Werken met bedrading en kabelbomen
- Bevestig draden en kabelbomen op de aangegeven plaatsen met de juiste kabelbinders aan de carrosserie.
- Klemmen zorgvuldig verwijderen; voorkom beschadiging van de vergrendelingen (A).
- Schuif een tang (A) in een hoek onder de voet van de klem en door het gat, en knijp vervolgens de expansielippen in om de klem los te maken.
- Na het monteren van de kabelboomklemmen zorgen dat de kabelboom geen bewegende delen kan raken.
- Hou kabelbomen uit de buurt van de uitlaatpijp en andere hete onderdelen, scherpe randen van steunen en gaten, en uitstekende schroeven en bouten.
- Druk doorvoerrubbers goed in hun groef (A). Doorvoerrubbers niet verdraaien (B).
Testen en repareren
- Gebruik geen draden of kabelbomen met kapotte isolatiemantel. Vervang of repareer draden of kabelbomen door de breuk te omwikkelen met elektrische tape.
- Controleer na het installeren van een onderdeel of er geen draad onder zit afgeklemd.
- Volg bij werkzaamheden met elektrische testapparatuur de instructies van de fabrikant en de instructies in deze handleiding.
- Steek indien mogelijk de testpen vanaf de draadzijde in de stekker (behalve bij waterdichte stekkers).
- Gebruik een testpen met een taps toelopende testpunt.
- Raadpleeg de instructies in de Honda Aansluitingenset voor identificatie en vervanging van stekkeraansluitingen.
Schuif bij het controleren van de stekkeraansluitingen van regelmodules of regeleenheden, voorzichtig, vanaf de bedradingskant, de scherpe testpen in de stekker tot hij in contact komt met het aansluitingseind van de draad.
Probleemoplossing in vijf stappen
| 1. | Klacht bevestigen Zet alle onderdelen in het probleemcircuit aan om de klacht van de klant te bevestigen. Noteer de symptomen. Begin niet met demonteren of testen voor u het probleemgebied hebt afgebakend.
|
| 2. | Schema opzoeken Zoek het schema op van het probleemcircuit. Bepaal hoe het circuit zou moeten werken door de stroomroutes te volgen vanaf de voeding door de circuitonderdelen naar de massa. Als tegelijkertijd meerdere circuits een storing vertonen, is de zekering of de massa de waarschijnlijke oorzaak.
Wijs één of meer mogelijke oorzaken van het probleem aan op basis van de symptomen en uw informatie over de werking van het circuit.
|
| 3. | Het circuit testen om het probleem te isoleren Test het circuit ter controle van de diagnose die u in stap 2 hebt gesteld. Vergeet niet dat een logische, eenvoudige procedure de sleutel is tot efficiënt storingzoeken. Test eerst de meest waarschijnlijke oorzaak van de storing. Probeer de tests uit te voeren op punten waar u gemakkelijk bij komt.
|
| 4. | Het probleem herstellen Voer de reparatie uit nadat het specifieke probleem is vastgesteld. Zorg dat u het juiste gereedschap gebruikt en op een veilige manier werkt.
|
| 5. | Controleren of het circuit werkt Zet alle onderdelen in het gerepareerde circuit in alle standen aan om te controleren of u het hele probleem heeft hersteld. Als het probleem een doorgebrande zekering was, alle circuits van deze zekering testen. Controleer of zich geen nieuwe problemen voordoen en het oorspronkelijke probleem niet terugkeert.
|
Kleurcodering van de bedrading
In de elektrische schema's worden de volgende afkortingen gebruikt voor de draadkleuren:
| WHT. | Wit |
| YEL. | Geel |
| BLK. | Zwart |
| BLU. | Blauw |
| GRN. | Groen |
| RED. | Rood |
| ORN. | Oranje |
| PNK. | Roze |
| BRN. | Bruin |
| GRY. | Grijs |
| PUR. | Paars |
| LT BLU. | Lichtblauw |
| LT GRN. | Lichtgroen |
De draadmantel is één kleur, of één kleur met een streep in een andere kleur. De tweede kleur is de streep.